• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Den Bosch
  • 24 oktober 2017
  • ECLI:NL:GHSHE:2017:4675
  • Zaaknummer: 200.170.845_01

Hof: botsing auto die achteruit oprit verlaat en andere auto, toedracht onvoldoende onderbouwd

Aanrijding tussen auto van appellante die achteruit oprit van haar woning verlaat en auto van geïntimeerde. Geen letselzaak. Appellante stelt dat zij is gestopt om te kijken of er verkeer aan kwam. Daarna is zij de weg is opgedraaid, waarna zij 9 á 10 seconden op de weg stilstond. Op dat moment werd zij van achteren aangereden door geïntimeerde. Het hof oordeelt dat appellante de door haar gestelde toedracht tegenover de gemotiveerde betwisting onvoldoende onderbouwd. Naar het oordeel van het hof moet er dan ook van worden uitgegaan dat appellante vanaf haar oprit achteruit de weg is opgereden en daarbij geen voorrang heeft verleend aan geïntimeerde.

ECLI:NL:GHSHE:2017:4675

Instantie Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch Datum uitspraak 24-10-2017 Datum publicatie 27-10-2017 Zaaknummer 200.170.845_01

Formele relaties Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:318, Overig

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Hoger beroep

Inhoudsindicatie

 

Aanrijding tussen twee personenauto’s. Vraag wie van partijen hiervoor aansprakelijk is

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

 

Afdeling civiel recht

 

 

 

zaaknummer 200.170.845/01

 

 

 

 

arrest van 24 oktober 2017

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

[appellante] ,

 

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

 

appellante,

 

hierna aan te duiden als [appellante] ,

 

advocaat: mr. R. Gerretsen te Utrecht,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

1 [geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

 

 

  1. [Verzekering] N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

 

geïntimeerden,

 

hierna aan te duiden als respectievelijk [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ,

 

advocaat: mr. R.H.J. Wildenburg te Arnhem,

 

 

 

 

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 21 juli 2015 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond onder zaaknummer 3439905/CV EXPL 14-10067 gewezen vonnis van 14 januari 2015.

 

 

 

 

5 Het verloop van de procedure

 

 

 

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

– het tussenarrest van 21 juli 2015 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

 

– de bij brief van 23 september 2015 door [appellante] overgelegde producties ten behoeve van de comparitie na aanbrengen;

 

– de bij brief van 24 september 2015 door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] overgelegde producties ten behoeve van de comparitie na aanbrengen;

 

– het proces-verbaal van comparitie van 15 oktober 2015;

 

– de memorie van grieven met vier producties;

de memorie van antwoord met zes producties;

 

het pleidooi op 7 september 2017, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

 

 

 

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

 

 

 

 

6 De beoordeling

 

 

 

6.1.

In r.o. 2.1 heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. In de grieven wordt deze vaststelling bestreden, maar zoals hierna zal blijken onterecht. Het hof gaat daarmee uit van dezelfde feiten als de kantonrechter.

 

– Op [datum] 2011 vond er op de [weg] in [plaats] ter hoogte van de (voormalige) woning van [appellante] (huisnummer [huisnummer] ) een aanrijding plaats tussen de auto bestuurd door [appellante] en de auto bestuurd door [geïntimeerde 1] . Op de [weg] geldt een maximum snelheid van 30 km/h.

 

– De auto van [appellante] liep bij de aanrijding schade op aan de punt van de linkerachterzijde, die van [geïntimeerde 1] rechtsachter aan de zijkant. Afzonderlijk van elkaar hebben [appellante] en [geïntimeerde 1] een aanrijdingsformulier ingevuld en aan hun verzekeringsmaatschappij ( [B.V. 1] B.V. (een gevolmachtigde van [onderneming] ), respectievelijk [geïntimeerde 2] ) gezonden. Er is door de politie geen proces-verbaal opgemaakt.

 

– De schade aan de auto van [appellante] , die € 1.589,59 bedroeg, is door [onderneming] vergoed.

 

De schade aan de auto van [geïntimeerde 1] is eveneens door [onderneming] betaald (aan [geïntimeerde 2] ).

Als gevolg van het een en ander is [appellante] teruggevallen in haar no-claim korting (‘Bonus/Malus korting’), wat heeft geleid tot verhoging van haar autoverzekeringspremie.

 

Bij brief van 30 juni 2014 heeft de gemachtigde van [appellante] [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] aansprakelijk gesteld voor de door [appellante] geleden schade als gevolg van de aanrijding.

 

 

6.2.1.

[appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd:

 

– een verklaring voor recht dat [geïntimeerde 1] aansprakelijk is voor de aanrijding tussen partijen op [datum] 2011 te [plaats] ;

 

– hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot betaling aan [appellante] van een bedrag van € 373,89 wegens verletkosten;

 

– hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot betaling van een bedrag van

 

€ 1.589,59 ter zake van vergoeding van de schade aan de auto van [appellante] , dit op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag voor iedere dag dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] daarmee in gebreke blijven;

 

– hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de proceskosten.

 

Aan deze vordering heeft [appellante] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde 1] met haar auto op de auto van [appellante] is gereden toen [appellante] de oprit was uitgereden en op de [weg] stilstond om de auto in de eerste versnelling te zetten. Hiermee [heeft geïntimeerde 1] de norm van artikel 19 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) heeft overtreden en is zij aansprakelijk voor de door [appellante] als gevolg van de aanrijding geleden schade, aldus [appellante] .

 

 

6.2.2.

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Dit verweer houdt kort gezegd in dat [appellante] , toen zij met haar auto achteruit van haar oprit de weg op reed, in strijd met artikel 54 RVV 1990 geen voorrang heeft verleend aan [geïntimeerde 1] .

 

 

6.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellante] afgewezen en [appellante] veroordeeld in de proceskosten. De kantonrechter heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen. De schades als gevolg van de aanrijding, rondom de linkerachterpunt van de auto van [appellante] en aan het achterste gedeelte van de rechterzijkant van de auto van [geïntimeerde 1] , niet kunnen worden verklaard uit het scenario van [appellante] maar wel uit het scenario van [geïntimeerde 1] . Daaruit volgt dat [appellante] achteruit vanaf haar oprit de weg op is gereden en daarbij heeft nagelaten voorrang te verlenen aan [geïntimeerde 1] . Daarmee staat vast dat [appellante] (in ieder geval gedeeltelijk) aansprakelijk is voor de ontstane schade. De kantonrechter heeft het bewijsaanbod van [appellante] gepasseerd, daartoe overwegende dat nadere bewijslevering door [appellante] niet tot toewijzing van de vordering kan leiden, nu alle vorderingen van [appellante] zijn gegrond op een volledige aansprakelijkheidsverklaring van [geïntimeerde 1] en er vanwege het schenden van de voorrangsverplichting door [appellante] in elk geval sprake is van (enige) aansprakelijkheid aan de zijde van [appellante] .

 

 

6.4.

[appellante] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het primair alsnog toewijzen van haar vorderingen, subsidiair alsnog toewijzen van haar vorderingen, althans gedeeltelijk, voor zover [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] aansprakelijk zijn, met veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de proceskosten van beide instanties.

 

 

6.5.

Met haar grieven heeft [appellante] het geschil van partijen in volle omvang ter beoordeling aan het hof voorgelegd. Het hof zal de grieven gelet hierop gezamenlijk behandelen.

 

 

6.6.

Tussen partijen is in geschil wie van hen aansprakelijk moet worden gehouden voor de aanrijding op [datum] 2011.

 

 

6.6.1.

 

[appellante] heeft ter onderbouwing van haar vorderingen gesteld dat de aanrijding en daarmee de als gevolg daarvan ontstane schade geheel te wijten is aan [geïntimeerde 1] , nu [geïntimeerde 1] in strijd met artikel 19 RVV 1990 niet tijdig haar auto tot stilstand heeft gebracht en heeft nagelaten de juiste afstand te nemen. [appellante] heeft in de stukken en ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep de toedracht als volgt toegelicht:

 

[appellante] reed met haar auto achteruit de oprit van haar woning af. Zij is gestopt om te kijken of er verkeer aan kwam. Dat was niet het geval, waarna zij met de auto verder de weg is opgedraaid. Daarna stond zij 9 á 10 seconden op de weg in de juiste rijrichting stil om vanuit de achteruitversnelling te schakelen naar de eerste versnelling. Op dat moment werd zij van achteren aangereden door [geïntimeerde 1] .

 

De dochter van [appellante] , die tijdens de aanrijding bij [appellante] in de auto zat, heeft ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep verklaard dat, toen haar moeder van de oprit afreed, de weg vrij was en dat de auto van [appellante] stil stond op de weg toen deze werd aangereden door [geïntimeerde 1] .

 

 

 

6.6.2.

 

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben gemotiveerd verweer gevoerd tegen de door [appellante] gestelde toedracht van de aanrijding. Volgens hen is de toedracht van de aanrijding de volgende.

 

Toen [geïntimeerde 1] met haar auto kwam aanrijden, zag ze dat [appellante] met haar auto op de oprit, schuin ingedraaid op de weg, stil stond. Omdat zij in de veronderstelling was dat [appellante] stil bleef staan omdat zij [geïntimeerde 1] had zien aankomen, is [geïntimeerde 1] doorgereden. Toen zij vlak achter de auto van [appellante] was, zag ze opeens de achteruitrijlichten van de auto van [appellante] oplichten en merkte ze pas dat [appellante] achteruit kwam rijden. Ze heeft nog geprobeerd om links uit te wijken, maar ze kon niet meer vermijden dat de auto’s elkaar raakten.

 

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de aanrijding te wijten is aan [appellante] , nu [appellante] bezig was met het verrichten van een bijzondere rijmanoeuvre en in strijd met artikel 54 RVV 1990 geen voorrang heeft verleend aan [geïntimeerde 1] .

 

 

 

6.7.1.

 

Het hof stelt in de eerste plaats vast dat de door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] gestelde toedracht overeenkomt met de inhoud van de door partijen ingevulde aanrijdingsformulieren. Op het door [appellante] ingevulde aanrijdingsformulier (productie 8 bij inleidende dagvaarding) heeft [appellante] zelf op de voorkant onder het kopje ’14. opmerkingen’ het volgende geschreven: ‘Bij het uitrijden was [letter] (hof: [geïntimeerde 1] ) nog niet in zicht door kijkruimte heg.’ Dit formulier is door beide partijen getekend. [geïntimeerde 1] heeft op de voorkant van het door haar ingevulde formulier (productie 6 bij mva) onder hetzelfde kopje geschreven: ‘Ik reed op de weg normale rijrichting en werd gegrepen door een auto die uit een uitrit kwam.’ Dit formulier is mede ondertekend door [appellante] . Op geen van de formulieren staat vermeld dat [appellante] ten tijde van de aanrijding stilstond op de weg. De stelling van [appellante] dat daarvoor op het formulier geen ruimte was, gaat niet op. Niet valt in te zien waarom zij niet onder het eerder genoemde kopje ’14. opmerkingen’ had kunnen vermelden dat haar auto stilstond op de weg.

 

Het hof neemt verder in aanmerking dat de door de toenmalige verzekeraar van [appellante] ingeschakelde expert [Schadeservices] Schadeservices in haar rapport van 3 november 2011 op basis van het schadebeeld van de auto van [appellante] en de aanrijdingsformulieren heeft geconstateerd dat de auto van [appellante] zijns inziens ten tijde van de aanrijding niet heeft stilgestaan. De expert van [Schadeservices] Schadeservices heeft dit in een rapport van 7 november 2011 herhaald (productie 1 van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] overgelegd ten behoeve van de comparitie na aanbrengen). Dit bevestigt eveneens de door [geïntimeerde 1] gestelde toedracht.

 

Mede op basis van voornoemd rapport heeft de toenmalige verzekeraar van [appellante] ( [B.V. 1] B.V. namens [onderneming] ), ondanks de verklaringen van [appellante] en van haar dochter over de toedracht van de aanrijding, de aansprakelijkheid van [appellante] volledig erkend en is zij overgegaan tot schadeloosstelling van [geïntimeerde 1] (vgl. de brief van [B.V. 1] B.V. aan [appellante] van 7 december 2011, productie 3 bij cva).

 

 

 

6.7.2.

Het hof is daarnaast met de kantonrechter van oordeel dat de door de aanrijding veroorzaakte schades aan de auto’s van partijen niet kunnen worden verklaard uit de door [appellante] gestelde toedracht. Als niet, althans onvoldoende weersproken staat vast dat de aanrijding in ieder geval heeft geleid tot schade rondom de linkerachterpunt van de auto van [appellante] en tot schade aan het achterste gedeelte van de rechterkant van de auto van [geïntimeerde 1] . De als gevolg van de aanrijding ontstane schade aan de rechterachterzijde van de auto van [geïntimeerde 1] blijkt ook uit het door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] overgelegde, door [appellante] niet betwiste schaderapport van [B.V.2] B.V. van 3 november 2011 (productie 2 bij mva). Zoals de kantonrechter al heeft overwogen, kan deze schade enkel zijn ontstaan als de auto van [appellante] , zoals [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben gesteld, achteruit in beweging was. In het door [appellante] geschetste scenario, inhoudende dat [geïntimeerde 1] van achteren op de auto van [appellante] reed, terwijl de auto van [appellante] stilstond, zou de aanrijding juist geen schade aan de achterzijde van de auto van [geïntimeerde 1] hebben veroorzaakt maar enkel aan de voorzijde.

 

 

6.7.3.

[appellante] heeft in hoger beroep gesteld dat haar uit de foto’s van de schade aan de auto van [geïntimeerde 1] is gebleken dat er als gevolg van de aanrijding wel degelijk schade was aan de rechtervoorzijde van de auto van [geïntimeerde 1] en dat dit erop wijst dat de door haar gestelde toedracht de juiste is. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben dat betwist en voor de schade aan de voorzijde van de auto van [geïntimeerde 1] een verklaring gegeven, inhoudende dat deze is veroorzaakt door een eerdere aanrijding op 19 december 2010, en heeft als productie 1 bij mva het door haar ingevulde aanrijdingsformulier met betrekking tot die aanrijding overgelegd. Uit het door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] overgelegde schaderapport, dat, zoals overwogen, niet wordt betwist door [appellante] , volgt ook niet dat de aanrijding tevens schade heeft veroorzaakt aan de voorzijde van de auto van [geïntimeerde 1] . Daar komt bij dat de verzekeraar van [appellante] enkel de schade aan de achterzijde van de auto van [geïntimeerde 1] heeft vergoed, wat eveneens een aanwijzing vormt voor de juistheid van de stelling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] dat de onderhavige aanrijding alleen de schade aan de rechterachterzijde van haar auto heeft veroorzaakt.

 

 

6.8.1.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft [appellante] de door haar gestelde toedracht tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] onvoldoende onderbouwd. Op grond van het voorgaande moet er naar het oordeel van het hof dan ook van worden uitgegaan dat [appellante] vanaf haar oprit achteruit de weg is opgereden en daarbij geen voorrang heeft verleend aan [geïntimeerde 1] . Hiermee heeft [appellante] in strijd gehandeld met artikel 54 RVV 1990 dat bepaalt dat bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, zoals onder meer wegrijden, achteruitrijden en uit een uitrit de weg oprijden, het overige verkeer voor moeten laten gaan.

 

 

6.8.2.

 

De door [appellante] overgelegde e-mail van de heer [derde] van [bedrijf 1] van 7 juni 2015 (productie 4 bij mvg) leidt niet tot een ander oordeel. De heer [derde] heeft niet met zekerheid kunnen verklaren dat de auto van [appellante] ten tijde van de aanrijding stil stond. Immers, op de vraag van [appellante] of het mogelijk is dat haar auto stilstond op de weg, terwijl de auto van [geïntimeerde 1] achterop is gereden, heeft hij geantwoord dat het mogelijk is dat de auto van [appellante] stil stond, maar dat hij dat niet voor de volle 100 % kan zeggen.

 

De door [appellante] overgelegde verklaring van de heer [bedrijfsleider] , bedrijfsleider [bedrijf 2] te [plaats 2] , van 26 maart 2012 (productie 6 bij mvg), inhoudende dat de deuk op de auto van [appellante] liet zien dat deze veroorzaakt is door een voertuig dat op het moment van de aanrijding harder reed van 30 km per uur, leidt evenmin tot een ander oordeel. Wat er hiervan ook zij, voldoende is komen vast te staan dat [appellante] ten onrechte geen voorrang heeft verleend aan [geïntimeerde 1] , zodat in ieder geval sprake is van (enige) aansprakelijkheid aan de zijde van [appellante] voor de door de aanrijding veroorzaakte schade.

 

 

 

6.9.

[appellante] heeft nog bewijs aangeboden van de door haar gestelde toedracht door middel van het horen van haarzelf en haar dochter als getuigen. Aan dit bewijsaanbod gaat het hof voorbij. Nu [appellante] haar stellingen tegenover het verweer van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] onvoldoende heeft onderbouwd, heeft zij niet voldaan aan haar stelplicht en wordt niet toegekomen aan bewijslevering. Bovendien heeft [appellante] tijdens het pleidooi in hoger beroep de toedracht van de aanrijding nader toegelicht. Daarnaast heeft de dochter van [appellante] , die eveneens aanwezig was op het pleidooi, een toelichting gegeven op de toedracht. Gesteld noch gebleken is dat [appellante] en haar dochter naast hun schriftelijke verklaringen meer of anders kunnen verklaren dan hetgeen zij tijdens pleidooi hebben verklaard.

 

 

6.10.

De grieven falen derhalve. Het vonnis waarvan beroep zal daarom worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van dit hoger beroep. Deze worden aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] begroot op € 711,00 aan griffierecht en op € 1.896,00 voor salaris advocaat (3 punten [memorie van antwoord 1, pleidooi 2] maal tarief I).

 

 

 

6 De uitspraak

 

 

 

 

Het hof:

 

 

 

 

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

 

 

 

 

veroordeelt [appellante] in de kosten van dit hoger beroep en begroot deze aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] op € 711,00 aan griffierecht en op € 1.896,00 voor salaris advocaat;

 

 

 

 

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

 

 

 

 

Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, M.E. Smorenburg en P.S. Kamminga en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 oktober 2017.