• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Den Haag
  • 25 april 2017
  • ECLI:NL:GHDHA:2017:978
  • Zaaknummer: 200.179.055

Hof: bezitter loslopende hond aansprakelijk voor letsel fietser, smartengeld € 1000,-

Fietser (geïntimeerde) is in botsing gekomen met loslopende hond van appellant en loopt letsel op. 1. Nu appellant heeft afgezien van het leveren van tegenbewijs, moet het ervoor worden gehouden dat het ongeval is veroorzaakt doordat de hond van appellant ten tijde van het ongeval losliep op het fietspad. 2. Geen eigen schuld appellant. 3. Diverse schadeposten. 4. Smartengeld: € 1000,- – (letsel: sleutelbeenfractuur, scheurtje in schedelbot en een fractuur van jukboog).

ECLI:NL:GHDHA:2017:978

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 25-04-2017
Datum publicatie 25-04-2017
Zaaknummer 200.179.055

Rechtsgebieden Verbintenissenrecht

Bijzondere kenmerken Hoger beroep

Inhoudsindicatie

schade a.g.v. aanrijding fietser met loslopende hond

VindplaatsenRechtspraak.nl

PS-Updates.nl 2017-0384

 

 

Uitspraak

 

GERECHTSHOF DEN HAAG

 

Afdeling Civiel recht

 

Zaaknummer : 200.179.055/01

Rolnummer rechtbank : 3776018 CV EXPL 15-2491

 

arrest van 25 april 2017

 

 

 

inzake

 

 

 

 

[appellant],

 

 

wonende te Rotterdam,

 

appellant,

 

hierna te noemen: [appellant],

 

advocaat: mr. W. Suttrop te Rotterdam,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

[geïntimeerde],

 

 

wonende te Hendrik Ido Ambacht,

 

geïntimeerde,

 

hierna te noemen: [geïntimeerde],

 

advocaat: mr. A.L. Mijnssen te Amersfoort.

 

 

 

 

De verdere loop van het geding

 

 

 

 

Voor het verloop van het geding tot 6 december 2016, verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum. Bij dat tussenarrest heeft het hof [appellant] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Bij H-formulier van 16 februari 2017 heeft [appellant] aan het hof laten weten af te zien van het horen van getuigen. Hierna is opnieuw arrest bepaald.

 

 

 

 

Beoordeling van het hoger beroep

 

 

 

1. Het hof blijft bij hetgeen het in zijn tussenarrest van 6 december 2016 heeft overwogen en beslist.

 

 

2. Het gaat in deze zaak om de schade die [geïntimeerde] heeft opgelopen als gevolg van een hem op 10 april 2014 overkomen ongeval, waarbij [geïntimeerde] als bestuurder van een fiets in botsing is gekomen met de hond van [appellant].

 

 

3. Bij voornoemd tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat [geïntimeerde] voorshands geacht moet worden te zijn geslaagd in het bewijs van de door hem gestelde toedracht van het ongeval, en is [appellant] toegelaten dit bewijsvermoeden te ontkrachten. Nu [appellant] heeft afgezien van het leveren van tegenbewijs, moet het ervoor worden gehouden dat het ongeval is veroorzaakt doordat de hond van [appellant] ten tijde van het ongeval losliep op het fietspad. Dit betekent – zoals het hof reeds in zijn tussenarrest heeft overwogen – dat [appellant] aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] als gevolg van het ongeval geleden schade. De verklaring voor recht is dus terecht toegewezen. De eerste grief faalt.

 

 

4. Voor zover [appellant] met de toelichting op zijn tweede grief heeft beoogd een beroep te doen op eigen schuld van [geïntimeerde], omdat [geïntimeerde] – gelet op zijn beperking aan zijn hand, die het sturen en/of remmen bemoeilijkte – onverantwoord snel zou hebben gereden, heeft [appellant] deze stelling onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat met een elektrische fiets eenvoudig een snelheid van 25 km/u kan worden gehaald, impliceert immers niet dat [geïntimeerde] met deze snelheid reed. Voor een deskundigenonderzoek naar (de eventuele beperkingen van) de rem- en stuurcapaciteiten van [geïntimeerde] en de invloed die deze mogelijk hebben gehad op het ontstaan van het ongeval, ziet het hof geen aanleiding. Ook de tweede grief faalt.

 

 

5. Met zijn derde grief komt [appellant] op tegen de hoogte van de door de kantonrechter – als onweersproken – toegewezen schade ad € 6.741,04. In de inleidende dagvaarding heeft [geïntimeerde] deze schade als volgt gespecificeerd:

 

a.bril € 200,–

 

 

b.medische kosten, pijnstillers € 40,–

 

 

c.schade horloge € 25,–

 

 

d.schade broek € 35,–

 

 

e.schade jas € 12,50

 

 

f.kosten stomerij € 20,–

 

 

g.extra reiskosten € 99,22

 

 

h.extra parkeerkosten € 33,–

 

 

i.daggeldvergoeding ziekenhuis € 168,–

 

 

j.vergoeding huishoudelijke hulp € 672,–

 

 

k.vergoeding zelfredzaamheid € 50,–

 

 

l.smartengeld € 2.000,–

 

 

m.buitengerechtelijke kosten

 

 

 

– kosten Europrotector € 786,50

 

– kosten opvragen med.advies en informatie

 

€ 1.531,82

 

– juridische kosten € 1.075,–

 

TOTAAL € 6.748,04

 

 

 

5. Ter onderbouwing heeft [geïntimeerde] verwezen naar het in het in opdracht van zijn rechtshulpverlener opgemaakte rapport van Europrotector en overgelegde facturen. In hoger beroep heeft [appellant] deze schadeposten weersproken. Het hof zal de diverse schadeposten daarom achtereenvolgens bespreken.

 

 

5.1

Met betrekking tot het (algemene) verweer dat niet inzichtelijk is welke schadeposten door de eigen verzekering van [geïntimeerde] zijn vergoed, merkt het hof op rapport van Europrotector is vermeld in hoeverre de eigen verzekering van [geïntimeerde] dekking biedt en dat deze bedragen door [geïntimeerde] niet zijn gevorderd. Het verweer mist in zoverre feitelijke grondslag.

 

 

 

ad a) bril

 

Volgens het rapport van Europrotector is de bril van [geïntimeerde] door de valpartij beschadigd en zal [geïntimeerde] “binnenkort” een nieuwe vervangende bril moeten aanschaffen. Geadviseerd werd om – in verband met de zware hersenschudding – de aanschaf nog even uit te stellen. In hoger beroep (ruim een jaar later) heeft [geïntimeerde] geen factuur overgelegd van de door hem aangeschafte vervangende bril, noch een verklaring gegeven voor het ontbreken daarvan. Dit betekent dat het hof de betreffende schade onvoldoende onderbouwd acht en dus niet toewijsbaar.

 

 

 

 

ad b) medische kosten/pijnstillers

 

In het rapport van Europrotector zijn de kosten van voor eigen rekening aangeschafte pijnstillers begroot op € 20,–. Facturen hiervan ontbreken, evenals een onderbouwing waarom € 40,– is gevorderd. Het hof acht aannemelijk dat enige kosten zijn gemaakt en begroot deze op € 10,–.

 

 

 

 

ad c) schade horloge

 

In het dossier bevindt zich een reparatie bon van [juwelier] waaruit blijkt dat op 16 april 2014 een horloge ter reparatie is aangeboden, met als omschrijving: “nw glas nw batt, + wijzers stellen”, met daarop vermeld 25,00. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] hiermee de door hem gestelde schade aan zijn horloge voldoende onderbouwd, hetgeen betekent dat het gevorderde bedrag van € 25,– toewijsbaar is.

 

 

 

 

ad d/e/f) kledingschade

 

In het rapport van Europrotector is gesteld dat de schade aan de broek van [geïntimeerde] zodanig is dat deze als verloren moet worden beschouwd. De dagwaarde is gesteld op € 35,–. De jas zou door bloed en straatvuil zijn bevuild en zijn gestoomd, waarmee een bedrag van € 12,50 zou zijn gemoeid. Deze schade komt het hof aannemelijk voor, de bedragen zijn niet onredelijk en (dus) toewijsbaar. Dat daarnaast nog een bedrag aan stomerijkosten (ad € 20,–) voor toewijzing in aanmerking komt, vermag het hof – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – niet in te zien, zodat dit bedrag zal worden afgewezen.

 

 

 

 

ad g/h) extra reis- en parkeerkosten

 

Blijkens het rapport van Europrotector gaat het daarbij enerzijds om kosten gemaakt door de echtgenote en zoon/dochter voor ziekenbezoek in de tijd dat [geïntimeerde] in het ziekenhuis lag en anderzijds om kosten van [geïntimeerde] zelf voor controlebezoeken aan ziekenhuis, ARBO-dienst, apotheek etc. Het hof acht aannemelijk dat sprake is geweest van extra reis- en parkeerkosten. [appellant] vraagt zich echter af waarom [geïntimeerde] de kosten voor ziekenbezoek als eigen kosten kan vorderen. Het hof is van oordeel dat genoemde kosten voor vergoeding aan [geïntimeerde] in aanmerking komen gelet op het bepaalde in artikel 6:107 BW. Deze kosten zijn in het rapport van Europrotector voldoende gespecificeerd en door [appellant] als zodanig niet weersproken. De kosten voor ziekenbezoek komen daarom voor vergoeding in aanmerking tot het in het rapport genoemde bedrag (€ 48,72 + € 18,–). Het hof acht de omvang van de vervoer en parkeerkosten voortkomend uit controle bezoeken etc. (€ 43,50 + € 15,–) daarentegen onvoldoende onderbouwd. Het hof begroot deze kosten daarom in redelijkheid op in totaal € 30,–.

 

 

 

 

ad i) daggeldvergoeding ziekenhuis

 

Een vergoeding van € 28,– per dag bij opname in een ziekenhuis is conform de letselschaderichtlijn. Nu [appellant] niet heeft weersproken, dat [geïntimeerde] als gevolg van het ongeval zes dagen in het ziekenhuis opgenomen is geweest is een bedrag van (6 x € 28,– =) € 168,– toewijsbaar.

 

 

 

 

ad j/k) vergoeding huishoudelijke hulp / zelfwerkzaamheid

 

Tegenover de betwisting van de noodzaak van het beroep op derden voor huishoudelijke hulp en tuinwerkzaamheden als gevolg van het ongeval heeft [geïntimeerde] in hoger beroep niets gesteld, hetgeen wel van hem had mogen worden verwacht. Een enkele verwijzing naar het rapport van Europrotector is in dezen naar het oordeel van het hof onvoldoende. Dit betekent dat genoemde kosten niet kunnen worden toegewezen.

 

 

 

 

ad l) smartengeld

 

Het hof stelt voorop dat bij de begroting van de naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor immateriële schade voor lichamelijk letsel in een geval als het onderhavige rekening dient te worden gehouden met alle omstandigheden, waaronder de aard van het letsel en de gevolgen daarvan voor de betrokkene, alsmede de grond waarop de aansprakelijkheid berust en de vraag of de schade opzettelijk of door schuld is teweeggebracht. Verder dient bij de begroting van de schade gelet te worden op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen, één en ander met in aanmerking neming van de sedert de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding. Bij de begroting van deze schade is de rechter niet gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast.

 

Het hof acht, in aanmerking genomen de hierboven genoemde maatstaf, een vergoeding van € 1.000,– voor immateriële schade billijk, waarbij het hof rekening heeft gehouden met de volgende omstandigheden.

 

– [geïntimeerde] heeft bij het ongeval een sleutelbeenfractuur links, een scheurtje in het schedelbot en een fractuur van de linker jukboog opgelopen, zonder verplaatsing van de diverse fractuurdelen;

 

– omdat hij last bleef houden van forse schouderklachten en in juni 2014 bleek dat sprake was van het niet vastgroeien van de fractuurdelen, is hij in juli 2014 aan zijn schouder geopereerd en vervolgens fysiotherapeutisch behandeld;

 

– [medisch adviseur], die [geïntimeerde] in november 2014 heeft gezien, achtte een restloos herstel begin 2015 te verwachten. Gesteld noch gebleken is dat deze verwachting niet is uitgekomen.

 

 

 

ad m) buitengerechtelijke kosten

 

[appellant] heeft in de memorie van grieven zijn pijlen niet gericht op deze kosten, zodat deze ook in hoger beroep voor toewijzing gereed liggen.

 

 

 

6. Een en ander betekent dat de derde grief deels slaagt en het bestreden vonnis (uitsluitend) voor wat betreft de hoogte van de toegekende schadevergoeding niet in stand kan blijven. Opnieuw recht doende is toewijsbaar een bedrag van (€ 10,– + € 25,– + € 35,– + € 12,50 + € 66,72 + € 30,– + € 168,– + 1.000,– + € 786,50 + € 1.531,82 + € 1.075,– =) € 4.740,54. Nu partijen over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

 

 

 

Beslissing

 

 

 

 

Het hof:

 

 

 

– vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Rotterdam van 10 juli 2015, voorzover [appellant] daarbij is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 6.741,04;

 

 

 

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

 

 

 

– veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] tegen kwijting te betalen € 4.740,54;

 

 

– bekrachtigt het vonnis voor het overige;

 

 

– verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

 

 

– compenseert de kosten van het hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

 

 

 

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, H.J. Vetter en F.R. Salomons en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 april 2017 in aanwezigheid van de griffier.