• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Amsterdam
  • 6 april 2017
  • ECLI:NL:GHAMS:2017:1782
  • Zaaknummer: 16/00166

Hof (belasting): letselschadevergoeding valt niet onder vrijstelling voor heffingsgrondslag BOX 3

Benadeelde heeft in verband met verkeersongevallen letselschadeuitkeringen ontvangen. In hoger beroep is in geschil of de rendementsgrondslag van BOX 3 mag worden verminderd met de bank- en spaartegoeden die betrekking heeft op de letselschadeschadevergoedingen. Eiser stelt dat schadevergoedingen niet als vermogen moeten worden gezien, aangezien deze bedragen specifiek bedoeld zijn ter dekking van geleden en nog te lijden schade. Het hof oordeelt dat de rechtbank terecht heeft beslist dat de letselschadeuitkeringen niet vallen onder de vrijstelling. De rechtbank oordeelde dat in de Wet IB 2001 de heffingsgrondslag bij sparen en beleggen (“box 3”) geregeld is. Op grond van artikel 5.3 Wet IB 2001 behoren banktegoeden tot de grondslag voor die heffing. In dit artikel zijn ook de vrijstellingen geregeld; letselschadevergoedingen vallen niet onder deze vrijstelling. Het gehele vermogen telt derhalve mee.

ECLI:GHAMS:2017:1782

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 06-04-2017 Datum publicatie07-06-2017 Zaaknummer16/00166

Formele relaties

Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2016:617, Bekrachtiging/bevestiging Rechtsgebieden Belastingrecht

Bijzondere ken merken Hoger beroep

Inhoudsindicatie

 

De banktegoeden van belanghebbende met uitgekeerde letselschadevergoedingen behoren tot de grondslag voor de heffing bij sparen en beleggen.

Wetsverwijzingen Wet inkomstenbelasting 2001 5.2, geldigheid: 2011-01-01

VindplaatsenRechtspraak.nl

FutD 2017-1421

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

GERECHTSHOF AMSTERDAM

 

Kenmerk 16/00166

 

 

 

6 april 2017

 

 

 

 

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

 

 

 

 

op het hoger beroep van

 

 

 

 

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

 

 

 

 

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 15/2191 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

 

 

 

 

belanghebbende

 

 

 

 

en

 

 

 

 

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

 

(gemachtigde: W.H.A. Entrop).

 

 

 

 

1 Ontstaan en loop van het geding

 

 

 

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2013 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.574 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.968.

 

 

1.2.

Na tegen de aanslag gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak van 15 december 2014 het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Daarnaast heeft de inspecteur het bezwaar behandeld als verzoek om ambtshalve vermindering en dit verzoek afgewezen.

 

 

1.3.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de inspecteur om geen ambtshalve vermindering te verlenen. Op 2 april 2015 heeft de inspecteur dit bezwaar van belanghebbende afgewezen.

 

 

1.4.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld. Bij uitspraak van 2 februari 2016 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

 

 

1.5.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende sprongcassatie in willen stellen bij de Hoge Raad. Het verzoek daartoe is op 4 maart 2016 bij de Hoge Raad ingekomen. Omdat de inspecteur niet met het verzoek heeft ingestemd, heeft de Hoge Raad het verzoek op de voet van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) als beroepschrift doorgezonden naar het Hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

 

 

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2017. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

 

 

 

2 Tussen partijen vaststaande feiten

 

 

 

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarbij aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’:

 

 

  1. Eiser is geboren op [geboortedatum] . Gedurende het jaar 2013 was eiser ongehuwd.

 

 

  1. Eiser heeft in het verleden verschillende letselschade uitkeringen ontvangen in verband met verkeersongevallen.

 

 

  1. Op 1 september 2014 heeft eiser een aangifte ib/pvv 2013 ingediend. In de aangifte is een bedrag van € 93.350 aan bank- en spaartegoeden opgenomen. Dit bedrag behelst mede door eiser ontvangen bedragen aan letselschadevergoedingen.

 

 

2.2.

Nu de door de rechtbank vastgestelde feiten door partijen niet zijn bestreden, zal het Hof van deze feiten uitgaan. Het Hof voegt daaraan het volgende toe.

 

 

2.3.

De schadevergoedingen als bedoeld onder de door de rechtbank vastgestelde feiten hebben betrekking op alle schade die het gevolg is van verkeersongevallen die in 1988, 1994 en 2001 hebben plaatsgevonden. Deze – van Aegon en Univé in het kader van met belanghebbende gesloten vaststellingsovereenkomsten – ontvangen vergoedingen zullen hierna de Schadevergoedingen worden genoemd.

 

 

 

3 Geschil in hoger beroep

 

 

 

3.1.

Zoals ter zitting door belanghebbende is bevestigd, is in hoger beroep uitsluitend in geschil of de rendementsgrondslag – als bedoeld in artikel 5.2, lid 1, Wet IB – op de peildatum (1 januari 2013) mag worden verminderd met – dat deel van de bank- en spaartegoeden dat betrekking heeft op – door belanghebbende ontvangen maar nog niet uitgegeven Schadevergoedingen.

 

 

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting van het Hof hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

 

 

 

4 Het oordeel van de rechtbank

 

 

 

4.1.

De rechtbank heeft het volgende overwogen:

 

 

 

“Beoordeling van het geschil

 

  1. Ingevolge artikel 9.6, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001) in samenhang gelezen met artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, vermindert de inspecteur een onjuiste belastingaanslag ambtshalve zodra hem is gebleken dat de belastingaanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Dit houdt in dat de belastingplichtige moet doen blijken – dat wil zeggen overtuigend aantonen – dat de belastingaanslag op een te hoog bedrag is vastgesteld.

 

 

  1. Eiser stelt dat (Schadevergoedingen) niet als vermogen moeten worden gezien, aangezien deze bedragen specifiek bedoeld zijn ter dekking van geleden en nog te lijden schade. Door de oplopende kosten voor met name gehandicapte mensen in Nederland en verlaging van bijvoorbeeld toeslagen resteert er onvoldoende geld van de schadevergoedingen om de schade te kunnen dekken.

 

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de Wet IB 2001 geen ruimte biedt om het deel van het banksaldo dat betrekking heeft op ontvangen bedragen aan (S)chadevergoedingen buiten de grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen te houden en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

 

 

  1. In hoofdstuk 5 van de Wet IB 2001 wordt de heffingsgrondslag bij sparen en beleggen (“box 3”) geregeld. Op grond van artikel 5.3, tweede lid aanhef, en onderdeel e, van de Wet IB 2001 behoren banktegoeden tot de grondslag voor die heffing. In de afdelingen 5.2 en 5.3 van de Wet IB 2001 zijn de vrijstellingen van de heffing van box 3 geregeld. Voor zover het banktegoed ontvangen bedragen aan (S)chadevergoedingen als de onderhavige behelst, is niet voorzien in een vrijstelling. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder terecht het gehele banksaldo per 1 januari 2013 van in totaal € 93.350 tot de heffingsgrondslag van box 3 heeft gerekend. Hetgeen eiser in de stukken en ter zitting heeft aangevoerd, maakt dit niet anders.

 

 

  1. Voor zover eiser zich erop beroept dat de wettelijke bepalingen onredelijk zijn voor zover (Schadevergoedingen) niet zijn uitgezonderd van de heffingsgrondslag van box 3, geldt dat het de rechter niet is toegestaan de innerlijke redelijkheid en billijkheid van de wet te beoordelen.

 

 

  1. Voor zover eiser een beroep doet op toepassing van de hardheidsclausule, verklaart de rechtbank zich onbevoegd. Deze bevoegdheid is ingevolge artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen voorbehouden aan de Minister van Financiën.

 

 

  1. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

 

Proceskosten

 

 

  1. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

 

 

 

5 Beoordeling van het geschil

 

 

 

 

Bewijslast bij ambtshalve vermindering

 

5.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de inspecteur ingevolge artikel 9.6, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), gelezen in samenhang met artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (de Uitvoeringsregeling), een belastingaanslag ambtshalve vermindert indien de belastingplichtige doet blijken – dat wil zeggen overtuigend aantoont – dat de belastingaanslag op een te hoog bedrag is vastgesteld. Het Hof overweegt dat uit de tekst van artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling, in samenhang met de totstandkomingsgeschiedenis van die bepaling, niet volgt dat sprake is van een dergelijke verzwaarde bewijslast voor de belastingplichtige. (Zie in deze zin Hof Amsterdam, 11 augustus 2016, nr 15/00849, ECLI:NL:GHAMS:2016:3374.) Het Hof zal daarom de normale bewijslastverdeling als uitgangspunt nemen. Omdat belanghebbende zich op een vermindering van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen beroept en de inspecteur deze vermindering betwist, zal belanghebbende feiten en omstandigheden aannemelijk moeten maken op grond waarvan hij recht heeft op deze vermindering.

 

 

 

Schadevergoedingen

 

5.2.

Ten aanzien van de bank- en spaartegoeden voor zover die bestaan uit (nog) niet uitgegeven Schadevergoedingen heeft de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt rechtsoverweging 7 van de rechtbank over en voegt daaraan het volgende toe.

 

 

5.3

Ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen moet de rechter volgens de wet rechtspreken en mag hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen. Wat er zij van belanghebbendes standpunt dat het opnemen van de (nog) niet uitgegeven Schadevergoedingen in de rendementsgrondslag onbillijk is, het Hof kan op grond van genoemde wetsbepaling niet tegemoet komen aan belanghebbendes verzoek om de wet aan te passen en wijst belanghebbende er op dat die bevoegdheid uitsluitend toekomt aan de wetgever.

 

 

 

Slotsom

 

5.4.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

 

 

 

6 Kosten

 

 

 

 

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

 

 

 

 

7 Beslissing

 

 

 

 

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

 

 

 

 

De uitspraak is gedaan door mrs. W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, voorzitter, P.F. Goes en M. van den Bosch, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 6 april 2017 in het openbaar uitgesproken.

 

 

 

 

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

 

  1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

 

  1. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

 

  1. de naam en het adres van de indiener;

 

  1. een dagtekening;

 

  1. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

 

  1. de gronden van het beroep in cassatie.

 

 

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

 

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.