• Jurisprudentie
  • Bron: Centrale Raad van Beroep
  • 23 juni 2017
  • ECLI:NL:CRVB:2017:2189
  • Zaaknummer: 15/1721 WIA

CRvB: bestuursrecht sluit ook voor immateriële schadevergoeding aan bij civiel recht

De Raad wijst de kosten ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht toe daar UWV het beroep intrekt. De bestuursrechter is bevoegd een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt als gevolg van een onrechtmatig besluit. Volgens vaste rechtspraak moet zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Bij art. 6:106 BW heeft de wetgever het oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene. Voor vergoeding van immateriële schade is onvoldoende dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door het onrechtmatig genomen besluit.

Instantie Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak 23-06-2017
Datum publicatie 27-06-2017
Zaaknummer 15/1721 WIA
Rechtsgebieden Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie Proceskostenveroordeling. Het Uwv is geheel aan de bezwaren van appellant tegemoetgekomen. Toewijzing wettelijke rente.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl
Uitspraak Datum uitspraak: 23 juni 2017
15/1721 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
28 januari 2015, 14/7883 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om schadevergoeding

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.C. van Bemmel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft op 14 juli 2016 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Bij brief van 27 september 2016 heeft mr. Van Bemmel namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten en tot vergoeding van schade.

Het Uwv heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

1.2. Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 14 juli 2016 geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.

1.3. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op
€ 990,- in bezwaar, € 1.237,50 in beroep en € 495,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, € 19,24 aan reiskosten en € 75,22 aan verschotten (betreffende het opvragen van medische informatie).

2.1. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, onder a van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.

2.2. Volgens vaste rechtspraak moet voor de beantwoording van de vraag of er voldoende aanleiding bestaat om schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en komen voorts alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking, die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2011:BR0611).

2.3. In het onderhavige geval staat met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 14 juli 2016 vast dat het besluit van 26 februari 2014, waarbij was vastgesteld dat voor appellant met ingang van 27 april 2014 geen recht meer bestond op WGA-uitkering, onrechtmatig is beëindigd.

2.4. Het verzoek van appellant om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de als gevolg van het besluit van 14 juli 2016 na te betalen uitkering wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen wordt verwezen naar de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:BV1958.

2.5. Het is aan appellant om te bewijzen dat hij andere materiële schade heeft geleden dan de schade die het gevolg is van de vertraagde betaling van zijn uitkering en dat hij ook immateriële schade heeft geleden die erin bestaat dat er een verslechtering van zijn lichamelijke en geestelijke toestand plaats gevonden, waarvoor tezamen een vergoeding van
€ 5.000,- billijk is zoals appellant heeft gesteld.

2.6. Appellant heeft zijn vordering tot vergoeding van materiële schade, anders dan gederfde wettelijke rente, niet nader heeft onderbouwd, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

2.7 Bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding bestaat om een immateriële schadevergoeding toe te kennen, moet naar vaste rechtspraak (uitspraak van 21 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC9247) zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De wetgever heeft daarbij het oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene (uitspraak van 5 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL0342). In het licht hiervan is voor vergoeding van immateriële schade onvoldoende dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door het onrechtmatig genomen besluit (uitspraak van 27 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF1067).

2.8. Het Uwv heeft bij verweer erop gewezen dat de (gerechtelijke) procedure over de WIA-uitkering zeker geen positieve bijdrage zal leveren aan de gezondheidstoestand van appellant maar dat dit niet met zich meebrengt zijn gezondheidstoestand ook verder verslechterde.

2.9. Uit de door appellant ingediende medische stukken blijkt ook niet dat zich een dergelijke verslechtering van zijn gezondheidstoestand heeft voorgedaan ten gevolge van het, achteraf bezien, onrechtmatige besluit van 26 februari 2014. De omstandigheid dat het conflict met het Uwv een dusdanig centrale plaats in zijn beleven innam dat het een traumabehandeling in de weg stond waardoor hij pas na oplossing van dit conflict hiervoor in behandeling kon komen, is hiervoor onvoldoende. Bovendien spreekt de psychiater Van Woudenberg in zijn bericht van 22 juni 2015 ook van gezinsproblemen die verergering van de psychische problemen met zich meebrachten. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt dan ook afgewezen.

3. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:
– veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.816,96;
– veroordeelt het Uwv tot vergoeding aan appellant van wettelijke rente zoals onder 2.4 van
deze uitspraak is vermeld en wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
voor het overige af.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van N. Talhaoui als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2017.
(getekend) M.C. Bruning

(getekend) N. Talhaoui

RB