Jurisprudentie

Rb, deelgeschil: onderneming niet rendabel, instandhouding betreft immateriële schade

  • Rechtbank Den Haag
  • 6 juni 2017
  • ECLI:NL:RBDHA:2017:6065
  • C/09/512450 / HA RK 16-292

De arbeid die verzoekster vóór het ongeval op de boerderij verrichtte, betrof geen loonvormende arbeid omdat van een economisch rendabel boerenbedrijf geen sprake is. De kosten van een derde in verband met het verrichten van werkzaamheden die zij zelf niet meer kan verrichten komen alleen als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking als zijnde kosten ter beperking van immateriële schade. De boerderij is het levensdoel van verzoekster. Zij zijn ten diepste en onlosmakelijk met elkaar verbonden. Immateriële schadevergoeding is in hoogte afhankelijk van onder meer de duur en de intensiteit van de pijn die is geleden, het verdriet en de levensvreugde die zijn gederfd. De kosten voor de inschakeling van een derde worden gemaakt ter voorkoming van verdere geestelijke pijn. De kosten ter beperking van immateriële schade kan uit haar aard niet de immateriële schade overstijgen. Toewijzing € 50.000.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: eisen van zelfstandige onvoldoende onderbouwd

  • Rechtbank Limburg
  • 29 maart 2017
  • ECLI:NL:RBLIM:2017:3046

Verzekeraar heeft voor een ongeval in 2003 reeds € 270.000 betaald. De gewonde zelfstandige vordert een groot bedrag wegens VAV, mede aan de hand van een Duits rapport. De rechter acht het VAV onvoldoende onderbouwd omdat geen jaarrekeningen, begroting of strategisch plan zijn overgelegd. Onvoldoende is aangetoond dat het bedrijf winstgevend zou zijn geworden. Slechts op basis van veronderstellingen wordt van verliesgevend voor het ongeval naar winstgevendheid in de situatie zonder ongeval uitgegaan. De kosten van de door de benadeelde gestelde stakingskosten van de onderneming zijn enerzijds dubbel met andere posten en anderzijds niet onderbouwd. De vermindering van waarde van de onderneming is evenzeer onvoldoende onderbouwd omdat het Duitse rapport, waarop dit gebaseerd zou zijn, niet volledig is. Het smartengeld wordt afgewezen omdat ook dat onvoldoende is onderbouwd en niet toegelicht is. Het benoemen van een medisch deskundige wordt afgewezen omdat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt waarom de ontvangen uitkering van Achmea niet toereikend is geweest.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: loonwerkbedrijf (ex 7:658 lid 4 BW) en werkgever machinist (ex art 6:170 BW) aansprakelijk voor letsel ZZP’er met maïshakselaar

  • Rechtbank Midden-Nederland
  • 28 oktober 2016
  • ECLI:NL:RBMNE:2016:5708
  • 5351779, 5352002 en 5352082

Eiser is als loonwerker (zzp’er) ingehuurd door loonwerkbedrijf om te helpen met het oogsten van van maïs. Het loonwerkbedrijf A had ook een maïshakselaar met machinist ingehuurd van bedrijf B. Eiser komt met zijn hand in de hakselaar. Hij stelt spreekt het loonwerkbedrijf A, bedrijf B, de machinist en hun verzekeraars aan. 1. De rechtbank acht loonwerkbedrijf A aansprakelijk ex art 7:658 lid 4 BW (Davelaar/Allspan (HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0616). Eiser was voor de zorg van zijn veiligheid (mede) afhankelijk van loonwerkbedrijf A. A kan deze verantwoordelijkheid gelet op zijn centrale positie bij het uitvoeren van de werkzaamheden niet verleggen naar B. Het loonbedrijf dient te worden aangemerkt als ‘een persoon’ in de zin van art. 7:658 lid 4 BW en is aansprakelijk. 2. De rechtbank oordeelt dat de machinist onrechtmatig heeft gehandeld. Toetsing aan de criteria van het Kelderluikarrest. Vaststaat dat de machinist, in strijd met de gebruikershandleiding, de motor van de hakselaar niet heeft uitgezet toen hij de cabine verliet om op zoek te gaan naar de oorzaak van de storingsmelding. B is ex art 6:170 BW als werkgever van de machinist (hoofdelijk) aansprakelijk.
3. Eiser dient zich schriftelijk uit laten over zijn mate van eigen schuld in verhouding tot de hoofdelijke aansprakelijkheid van B.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: BV niet aansprakelijk voor schade directeur/groot aandeelhouder door blootstelling aan asbest

  • Rechtbank Midden-Nederland
  • 13 juli 2016
  • ECLI:NL:RBMNE:2016:3838
  • C/16/408803 / HAZA 16-90 LH/1040

RECTIFICATIE: In de nieuwsbrief van 24 juli 2016 was een verkeerde samenvatting opgenomen bij deze uitspraak. Hierbij nogmaals de uitspraak, nu met de goede samenvatting. Excuses.
Benadeelde is vanaf 1977 directeur/groot aandeelhouder (DGA) van loodgietersbedrijf. In 2012 is bij hem mesothelioom vastgesteld en heeft hij de BV aansprakelijk gesteld ex art 7:658 BW wegens blootstelling aan asbest. 1. Verjaring. De rechtbank oordeelt dat de vordering t.a.v. gebeurtenissen die plaats hebben gevonden vóór 1982 (30 jaar vóór de aansprakelijkheidsstelling) is verjaard. De rechtbank toetst vervolgens aan de gezichtspunten van HR 28 april 2000 NJ 2000, 430 (/De Schelde) en concludeert dat een beroep op verjaring niet in strijd is met de redelijkheid. 2. T.a.v. de periode ná 1982 oordeelt de rechtbank dat de schuldaansprakelijkheid die art 7:658 BW voor de werkgever jegens zijn werknemers in het leven roept zich moeilijk laat denken in een geval als het onderhavige, waarin de gelaedeerde werknemer, die tevens feitelijk leidinggevende de hoogste beleidsbepaler is, zijn werkgever aansprakelijk houdt voor schade die hij heeft geleden doordat niet de redelijkerwijs van deze te vergen veiligheidsmaatregelen zijn getroffen. Waar algemeen wordt aangenomen dat de werkgever geen verwijt kan worden gemaakt indien de – ervaren en geïnstrueerde – werknemer er welbewust voor kiest om geen gebruik te maken van door de werkgever ter beschikking gestelde veiligheidsvoorzieningen, klemt zulks temeer in de situatie van benadeelde, die zelf in zijn kwaliteit van beleidsbepaler de werkomstandigheden bepaalde en daarop moest toezien. Het ligt in het onderhavige geval niet in de rede om rekening te houden met het ervaringsfeit dat het dagelijks werken in een gevaarlijke werkomgeving gemakkelijk met zich mee kan brengen dat niet alle voorzichtigheid in acht wordt genomen. De rechtbank oordeelt dat het bovendien in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid die een directeur/ grootaandeelhouder jegens de vennootschap in acht dient te nemen, dat benadeelde zijn vennootschap aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt doordat hijzelf zijn taak als bestuurder niet naar behoren heeft uitgevoerd. (zie r.o. 4.10). Vordering afgewezen.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: whiplash, beperkte looptijd schade zelfstandig onderneemster, nu zij ander passend werk had kunnen verrichten

  • Ongepubl. jurisprudentie, Rechtbank Noord-Nederland
  • 14 oktober 2015
  • C/l9/77076 / HA ZA 09-973

Whiplash, ongeval 1997. De rechtbank oordeelde bij eerder tussenvonnis dat benadeelde haar eigen werk als onderneemster van een kinderkledingzaak niet meer kan doen. De rechtbank oordeelt in het kader van de schadebeperkingsplicht dat het redelijk was dat benadeelde aanvankelijk probeerde haar eigen bedrijf voort te zetten. Zij was destijds net gestart. Dat benadeelde door haar arbeidsongeschiktheid extra personeelskosten moest maken, komt dan ook voor rekening van verzekeraar. De rechtbank is het echter met verzekeraar eens dat het niet redelijk is om alle opgevoerde jaren voor haar rekening te laten komen. Nog daargelaten de vraag hoe de gestelde predispositie zou hebben doorgewerkt in de bedrijfsresultaten zonder ongeval, stelt de rechtbank vast dat benadeelde na verloop van enkele jaren toch heeft moeten constateren dat zij met haar eigen bedrijf geen volwaardig inkomen kon genereren. Dit terwijl al was vastgesteld dat benadeelde ander passend werk kon verrichten. Onder deze omstandigheden is de schade in redelijkheid mede als een gevolg van het te lang door blijven werken in de eigen zaak in plaats van ander passend werk te zoeken aan benadeelde toe te rekenen. De rechtbank wijst de schade toe tot 2000; de schade over de periode daarna wordt afgewezen. 2. Smartengeld: € 6000,- (gevorderd:€ 22.689,-). 3. Huishoudelijk hulp afgewezen.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb, deelgeschil: arbeidsongeval zzp’er niet geschikt voor deelgeschil vanwege noodzaak nadere bewijslevering

  • Rechtbank Gelderland
  • 9 december 2015
  • 288516
  • ECLI:NL:RBGEL:2015:8249

Verzoeker, exploitant van eenmanszaak (zzp-er), is ingeschakeld door snoepfabriek om ruiten te beplakken. Hij is hierbij van een hoogwerker op een stelling gestapt en naar beneden gevallen. Hij stelt de snoepfabriek aansprakelijk ex 6:174 BW (gebrekkige opstal), 6:162 BW (onrechtmatige daad), dan wel 7:658 (lid 4) BW (aansprakelijkheid ‘werkgever’). 1. De rechtbank overweegt dat de overgelegde bewijsstukken onvoldoende duidelijkheid geven over het vooroverleg over het betreden van de stelling en of benadeelde hem bekende veiligheidsregels heeft overtreden. Bij deze stand van zaken kan niet tot een beslissing worden gekomen zonder bewijsopdracht en het horen van getuigen. De met een dergelijke instructie gepaard gaande tijd en moeite staan naar het oordeel van de rechtbank niet in verhouding tot de kans dat een vaststellingsovereenkomst tot stand zal komen. Het verzoek sub 1 stuit daarom af op artikel 1019z Rv. 2. Voorschot afgewezen. 3. Kosten deelgeschil begroot op € 5.518,01, maar afgewezen; uurtarief € 255- redelijk.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: whiplash boer, depressie ongevalsgevolg, schade verlies van arbeidsvermogen door rechtbank geschat (art 6:97 BW)

  • Rechtbank Gelderland
  • 5 augustus 2015
  • ECLI:NL:RBGEL:2015:5217
  • C-05-270029 - HZ ZA 14-372

Whiplash; ongeval 1999 destijds 37-jarige boer. Hij runde samen met echtgenote, die ook letsel opliep bij het ongeval een biologisch-dynamische landbouwbedrijf. Aansprakelijkstelling 3 jaar na ongeval. Discussie over causaliteit en schadehoogte. Rapport psychiater in 2006 : door gehele situatie (ernstige klachten van echtgenote, de belasting van runnen van bedrijf in combinatie met de ervaren klachten en de financiële problematiek zag benadeelde ‘er geen gat meer in’. 1. De rechtbank oordeelt dat er voldoende aanknopingspunten zijn voor aanname dat benadeelde postwhiplashsyndroom heeft ontwikkeld. 2. Uitgaande van ruime toerekening bij letselschade en van het adagium dat men de benadeelde moet nemen zoals men die treft, staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat de depressie in 2006 indirect is terug te voeren op het ongeval. 3. Benadeelde stelt door houding verzekeraar slachtoffer te zijn van secundaire victimisatie (o.a. jarenlange discussie over persoon van deskundige). De rechtbank oordeelt dat de vertraging niet alleen aan de verzekeraar ligt. 4. Verlies van arbeidsvermogen. Wijziging in ondernemingsvorm (vof) na ongeval, deels noodzakelijk als gevolg van het ongeval en deels als gevolg van de gewijzigde wetgeving. De rechtbank overweegt dat de bekostiging van de nieuwe bedrijfsvoering na het ongeval alleen volledig ten laste van verzekeraar komt, als hiervoor voldoende juridische rechtvaardiging bestaat. Benadeelde kan niet verwachten dat verzekeraar opkomt voor de financiële gevolgen van zijn ondernemersbeslissingen, ook als die niet meer aan het ongeval kunnen worden toegerekend. Daarom hanteert de rechtbank voor de vaststelling van de omvang van de schade een andere benadering. De rechtbank zal daarom, mede ter vermijding van de schijn van rekenkundige juistheid, op grond van artikel 6:97 BW bepaalde schadebedragen schatten; 20% a.o. , schade geschat op € 60.000,00. Arbeidverlichtende machines: € 50.000,- . 5. Smartengeld: € 15.000,- 6. BGK: nog openstaande factuur van € 29.499,79 teruggebracht tot € 20.000,- .

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: terugloop boekingen zeiltochten ook door andere factoren dan mishandeling, geen omkeringsregel

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant
  • 1 mei 2014
  • ECLI:NL:RBZWB:2013:9287
  • CIV_68876

Benadeelde, vennoot bij boekingskantoor voor zeiltochten, heeft na mishandeling blijvende beperkingen door o.a. concentratiestoornissen en vergeetachtigheid. 1. Ter vaststelling van verlies aan verdiencapaciteit is deskundigenonderzoek door bedrijfseconoom uitgevoerd. Deze concludeert dat de ontwikkeling van dergelijke ondernemingen sterk is beïnvloed door het vertrek van een aantal schippers. Het is niet 100% waarschijnlijk dat benadeelde het vertrek van de schippers had kunnen voorkomen als hij geen letsel zou hebben opgelopen; ook andere factoren spelen een rol zoals de opkomst van internet, waardoor schippers zelf online boekingen konden regelen. De rechtbank maakt de bevindingen van de deskundige tot de hare; hieruit volgt dat benadeelde de terugloop van de boekingen vanaf 2007 ook in de situatie zonder mishandeling niet had kunnen worden voorkomen. 2. De rechtbank oordeelt dat dit geval zich niet voor toepassing van de omkeringsregel. Hieraan staat in de weg dat volgens de deskundige niet 100% waarschijnlijk is dat het vertrek van de schippers had kunnen worden voorkomen, wanneer hij. 3. Beroep op proportionele aansprakelijkheid afgewezen. De schadepost verlies van verdienvermogen wordt in haar geheel verworpen.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb, deelgeschil: bouwbedrijf aansprakelijk voor val in liftschacht van in v.o.f. werkende zzp’er

  • Rechtbank Den Haag
  • 1 juli 2014
  • ECLI:NL:RBDHA:2014:8149
  • 2799208 RP VERZ 14-50115

liftschacht. Hij stelt het bouwbedrijf aansprakelijk ex art. 7:658 lid 4 BW. De kantonrechter oordeelt benadeelde is aan te merken als zzp’er; dat benadeelde heeft gekozen voor de rechtsvorm van een v.o.f. maakt dit niet anders. Een zzp’er valt onder het toepassingsbereik van artikel 7:658 lid 4 BW, nu hij voor de zorg voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk was van het bouwbedrijf en de werkzaamheden plaatsvonden in de uitoefening van het bouwbedrijf (HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0616, Davelaar/Allspan). De kantonrechter oordeelt dat het bouwbedrijf zijn zorgplicht heeft geschonden. Het bouwbedrijf had ten minste voldoende duidelijk moeten waarschuwen dat de plaat in de liftschacht niet mandragend was. Dergelijke veiligheidsmaatregelen zijn niet bezwaarlijk om te nemen. Kosten deelgeschil: € 3539,98; uurtarief € 230.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb, deelgeschil: AOV-uitkering zzp’er (sommenverzekering) mag niet verrekend worden met de schade

  • Rechtbank Rotterdam
  • 6 januari 2014
  • ECLI:NL:RBROT:2014:167
  • KTN-2366880

Zzp’er raakt arbeidsongeschikt door arbeidsongeval. Mag arbeidsongeschiktheidsuitkering worden verrekend met de schade? Toepassing art. 6:100 BW (voordeelverrekening). De kantonrechter toetst aan de zes gezichtspunten van HR 1 oktober 2010 (LJN BM 7808, JA 2010, 155). De kantonrechter oordeelt dat de AOV strekt tot dezelfde schade te vergoeden als waarvoor veroorzaker aansprakelijk is. Hij stelt vast dat sprake is van een sommenverzekering: de hoogte van de uitkering is afhankelijk van een tevoren vastgestelde verzekerde som en niet van het laatstelijk verdiende inkomen. Er is geen correctiebepaling opgenomen ingeval er geen sprake (meer) is van schade. De kantonrechter oordeelt voorst dat verrekening van AOV-uitkeringen in beginsel niet in overeenstemming met de redelijkheid is, nu de aansprakelijke partij een aansprakelijkheidsverzekering heeft (gezichtspunt e).

Lees verder

Jurisprudentie

Rb, deelgeschil: schaderegeling staakt op onvoldoende bewijs door benadeelde, niet op evt. onrechtmatigheid persoonlijk onderzoek.

  • Rechtbank Den Haag
  • 1 januari 1970
  • ECLI:NL:RBDHA:2013:15613
  • C-09-443566-HA RK 13-264

Verzekeraar liet dossieronderzoek doen en verzoeker volgen, observeren en filmen, zonder dat hij dit wist. De verzochte beslissingen kunnen niet bereiken dat de onderhandelingen worden vlotgetrokken. Verzekeraar beroept zich niet alleen op de bevindingen uit het persoonlijk onderzoek maar ook op de beschikbaar gekomen cijfermatige gegevens, waaruit is gebleken dat verzoeker substantiële inkomsten uit zijn bedrijf heeft genoten. De Rechtbank acht het standpunt van verzekeraar de schade vergoed te hebben gezien de reeds betaalde voorschotten en de overgelegde jaarcijfers, niet onbegrijpelijk. Het hervatten van de schaderegeling wordt niet belemmerd door de door gestelde discussiepunten, te weten het al dan niet rechtmatig zijn van het persoonlijk onderzoek en de vraag of sprake is geweest van misleiding en/of het welbewust verstrekken van onjuiste informatie, maar door het achterwege blijven van nader bewijs dat sprake is van resterende onvergoede schade die moet worden toegerekend aan het ongeval van 21 december 1999.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb, in k.g.: onvoldoende onderbouwd dat geleden schade hoger is dan verstrekte voorschotten

  • Rechtbank Den Haag
  • 19 juli 2013
  • C/09/4434891 KG ZA 13-578

Benadeelde, medewerkend echtgenote in horecabedrijf, heeft in 2011 zwaar letsel opgelopen. Revalidatie tot eind 2012, nadien stemmingswisselingen. Zij vordert in kort geding een aanvullend voorschot van € 5000,- + € 2500,- per maand gedurende twee jaar. De rechtbank oordeelt dat de kern van dit juridische geschil is gelegen in de vraag of de door benadeelde gestelde schade meer bedraagt dan de door de verzekeraar reeds verstrekte voorschotten van € 53.000,-. Die vraag kan nog niet beantwoord worden omdat nog niet duidelijk is in hoeverre sprake is van causaal verband tussen het ongeval en de medische klachten. Benadeelde heeft weliswaar een hoeveelheid schadeposten opgevoerd en voorzien van toelichting, maar zij heeft verzuimd om te onderbouwen dat en in hoeverre de thans opgevoerde schade het reeds uitgekeerde voorschot te boven gaat. Vordering afgewezen.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: opdrachtgever aansprakelijk ex art. 7:658 lid 4 BW voor beenletsel zzp’er, want werkzaamheden in uitoefening van bedrijf

  • Hof Den Bosch
  • 16 april 2013
  • BZ8300
  • HD 200.108.364

Vervolg op Hoge Raad 23 maart 2012 (LJN: BV0616). Zzp’er heeft zwaar beenletsel opgelopen bij reparatiewerkzaamheden aan machine. Werkgeversaansprakelijkheid ex art. 7:658 lid 4 BW voor persoon die buiten dienstbetrekking voor opdrachtgever werkzaamheden verricht? Het hof toetst op grond van de door de Hoge Raad gegeven uitgangspunten of de werkzaamheden in de uitoefening van het bedrijf van de opdrachtgever hebben plaatsgevonden en voorts of opdrachtnemer voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk was van de opdrachtgever. Het hof oordeelt dat aan deze beide vereisten is voldaan. Het hof oordeelt vervolgens dat de opdrachtgever niet aan de op haar rustende zorgplicht ex art. 7:658 BW heeft voldaan. Geen bewuste roekeloosheid van de opdrachtnemer.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: Nekhernia leidt niet tot causale beperkingen, geen VAV cafébaas, verschuiving van werk

  • Hof Amsterdam
  • 15 januari 2013
  • BY8737
  • 200.093.990/01

Het feit dat de deskundige het ongeval niet als oorzaak van de nekhernia ziet omdat dat niet voldoet aan de criteria van de NVN, betekent niet dat deze de kans dat de nekhernia door het ongeval is veroorzaakt groter dan zeer klein acht. Er bestaat daarom geen aanleiding voor de toepassing van proportionele aansprakelijkheid. Het feit dat de deskundige geen subjectieve klachten heeft vastgesteld impliceert dat van het bestaan van dergelijke klachten niet kan worden uitgegaan. Dat de arbeidsdeskundige een uitval van 208 uur op jaarbasis heeft aangenomen leidt niet tot de conclusie dat er verlies aan verdienvermogen is. De deskundige is er immers van uitgegaan dat de werkzaamheden die hij zelf niet kon verrichten zou hebben laten doen door personeel dat er ook zonder het ongeval zou zijn geweest alsmede dat hij daarvoor in de plaats andere werkzaamheden zou hebben verricht die dan dus niet door het personeel behoefden te worden gedaan. De vordering wegens verlies aan verdienvermogen is terecht afgewezen.

Lees verder