Jurisprudentie

Hoge Raad: geen falend toezicht Arbeidsinspectie bij asbest, Staat niet aansprakelijk voor mesothelioom

  • Hoge Raad
  • 2 juni 2017
  • ECLI:NL:HR:2017:987
  • 16/02223

Werknemer is van 1977 tot jaren 90 bij werkzaamheden blootgesteld aan asbest; na faillissement werkgever heeft hij de Staat aansprakelijk gesteld wegens falend toezicht. De Hoge Raad oordeelt dat geen sprake is van regelgevings- en toezichtsfalen bij de Arbeidsinspectie zodat de Staat niet aansprakelijk is voor het ontstaan van mesothelioom. De Hoge Raad overweegt dat van onrechtmatig handelen wegens onvoldoende toezicht door de Arbeidsinspectie met name sprake kan zijn indien de schade van de werknemer in een concreet geval voor de Arbeidsinspectie voorzienbaar was en haar in redelijkheid had moeten nopen tot het nemen van maatregelen. Het gaat er om of er voor de Arbeidsinspectie voldoende ernstige en concrete aanwijzingen bestonden om overtreding van de regel en het daaruit voortvloeiende risico op schade aan te nemen en dat risico en die schade moeten dan ook naar aard en omvang voldoende ernstig zijn. Het niet plaatsvinden van toezicht of controle waarin geen concrete aanwijzingen bestaan voor mogelijke overtredingen kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden tot aansprakelijkheid leiden (zie r.o. 3.4.4). Werknemer heeft onvoldoende aangetoond dat de Arbeidsinspectie wist of had moeten weten dat de werkgever het asbestverbod in de relevante periode overtrad, of hiervoor aanwijzingen had.

Lees verder

Jurisprudentie

HR: cassatieberoep in medische aansprakelijkheidszaak Curaçao afgewezen

  • Hoge Raad
  • 19 mei 2017
  • ECLI:NL:HR:2017:937
  • 16/00984

Benadeelde heeft zich in 2008 gemeld op de spoedeisende hulp van het ziekenhuis op Curaçao met aambeienklachten. Hij is terugverwezen naar de huisarts. De dag daarna is hij naar Venezuela gereisd, waar hij herhaaldelijk is geopereerd vanwege een complex abces. Hij heeft het ziekenhuis aansprakelijk gesteld. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (GEA) heeft geoordeeld dat het ziekenhuis niet onzorgvuldig heeft gehandeld en dat causaal verband met de gestelde schade niet is komen vast te staan. De Hoge Raad verwerpt het tegen dit oordeel ingestelde cassatieberoep.

Lees verder

Jurisprudentie

HR: bij aansprakelijkheid q.q. voor zoon, pro se belang bij proces

  • Hoge Raad
  • 21 april 2017
  • ECLI:NL:HR:2017:757
  • 16/01604

De destijds veertienjarige zoon van eisers heeft de toen vijftienjarige dochter van verweerster doodgestoken, opgehitst door anderen. De rechtbank achtte de ouders als vertegenwoordiger van de zoon en daarnaast voor zichzelf aansprakelijk. Het hof oordeelde in beroep dat deze geen belang hebben bij het beroep omdat zij hetzij als vertegenwoordiger hetzij voor zichzelf aansprakelijk zijn. Linksom of rechtsom moeten zij betalen terwijl; zij als zij voor zichzelf aansprakelijk zijn dekking vinden op hun AVP-polis. Dat is een onjuiste rechtsopvatting omdat het verzekerd zijn niet met zich meebrengt dat de ouders geen belang hebben. (Door veroordeling als vertegenwoordiger van de zoon heeft de benadeelde een vordering op het vermogen van de dader zelf, niet op dat van de ouders van de dader. Dat is anders als de ouders pro se aansprakelijk zijn).

Lees verder

Jurisprudentie

HR: aan vormvereisten van een mediationreglement en –overeenkomst moet zijn voldaan

  • Hoge Raad
  • 20 december 2013
  • ECLI:NL:HR:2013:2049
  • 12/05049

De mediationovereenkomst brengt mee dat eventuele in het kader van de mediation gemaakte afspraken niet bindend zijn, tenzij is voldaan aan de daaraan in de mediation overeenkomst uitdrukkelijk overeengekomen vereisten. Dit strookt met het niet verplichtende en vrijblijvende karakter van de mediation, dat meebrengt dat partijen van door hen gedane voorstellen, standpunten, mededelingen of toezeggingen kunnen terugkomen, zolang zij niet op de wijze als in de mediationovereenkomst bepaald, een bindende afspraak hebben bereikt en vastgelegd.

Lees verder

Jurisprudentie

Hoge Raad: verjaringstermijn voor asbestslachtoffers niet in strijd met EVRM

  • Hoge Raad
  • 24 maart 2017
  • ECLI:NL:HR:2017:494
  • 15/05837

De Hoge Raad schets allereerst het verjaringsregime in asbestzaken: een rechtsvordering i.v.m. schade als gevolg van blootstelling aan asbest vóór 1 februari 2004 verjaart ingevolge art. 3:310 lid 2 BW na dertig jaar. In HR 28 april 2000 heeft de Hoge Raad geoordeeld, dat de verjaringstermijn van dertig jaar o.g.v. art. 6:2 lid 2 BW buiten toepassing kan blijven (onder meer) wanneer de schade haar aard verborgen is gebleven en pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken. De Hoge Raad oordeelt nu: “Gelet op de duur van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 2 BW en het met de verjaring beoogde belangrijke doel van de rechtszekerheid, alsmede gelet op de mogelijkheid die verjaring met toepassing van art. 6:2 lid 2 BW buiten toepassing te laten, is sprake van een beperking van het recht op toegang tot de rechter die met art. 6 lid 1 EVRM verenigbaar is. Of toepassing van de verjaringstermijn van dertig jaar na de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, inderdaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, moet met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval worden beoordeeld aan de hand van de in het arrest van 28 april 2000 vermelde gezichtspunten. In dit stelsel hebben mesothelioomslachtoffers die (voor het laatst) vóór 1 februari 2004 aan asbest zijn blootgesteld en bij wie de ziekte zich meer dan dertig jaar na die blootstelling openbaart, niet in algemene zin zekerheid dat zij een aanspraak op schadevergoeding kunnen verwezenlijken. Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval(…). Het arrest van het EHRM in de zaak Howald Moor c.s./Zwitserland geeft geen aanleiding die beperking van het recht op toegang tot de rechter niet langer met art. 6 lid 1 EVRM verenigbaar te achten.”

Lees verder

Jurisprudentie

HR: oordeel hof over carrièreverloop en persoonlijkheidsstructuur benadeelde onbegrijpelijk

  • Hoge Raad
  • 17 februari 2017
  • ECLI:NL:HR:2017:273
  • 16/00939

Benadeelde heeft in 1989 whiplashletsel opgelopen. Vóór het ongeval had benadeelde molen van ouders overgenomen. Uit bedrijfseconomisch onderzoek bleek dat molen niet rendabel was. Benadeelde stelde aanvankelijk dat de molen zijn lust en zijn leven was; in hoger beroep stelde hij (23 jaar na het ongeval) dat hij een diploma van de SMS zou hebben behaald en een carrière vergelijkbaar met die van medestudenten zou hebben gehad. Het hof wees de vordering af. De Hoge Raad acht het oordeel van het hof onbegrijpelijk. De Hoge Raad oordeelt dat de vermeldingen in het neuropsychologisch rapport dat het algehele functioneren van benadeelde nadelig wordt beïnvloed door pre-existente en niet-ongevalsgerelateerde psychologische factoren, zonder nadere motivering niet het oordeel kunnen dragen dat aan gerede twijfel onderhevig is of benadeelde een vergelijkbare carrière had kunnen realiseren als zijn studiegenoten. Het rapport vermeldt immers niet in hoeverre de persoonlijkheidsstructuur van benadeelde zonder ongeval van invloed zou zijn geweest De Hoge Raad oordeelt voorts dat benadeelde niet behoefde te verklaren waarom hij in hoger beroep een ander standpunt innam dan in eerste aanleg. Het stond hem immers in beginsel vrij in hoger beroep de grondslag van zijn vordering te wijzigen. Volgt verwijzing naar een ander hof.

Lees verder

Jurisprudentie

HR: cassatiemiddel over nota advocaat in letselzaak verworpen

  • Hoge Raad
  • 23 december 2016
  • ECLI:NL:HR:2016:2992
  • 16/00453

Geschil tussen cliënt (letselschadeslachtoffer) en advocaat over nota. Advocaat vordert betaling van zijn honorarium; cliënt wil slechts eigen bijdrage die was verschuldigd indien toevoeging was aangevraagd. De Hoge Raad overweegt dat de rechtsverhouding tussen een advocaat en een cliënt meebrengt dat de advocaat verplicht is met de cliënt te overleggen of er termen zijn te trachten een toevoeging te verkrijgen. De klachten dat het hof deze verplichting van de advocaat heeft miskend, falen echter bij gebrek aan belang. Het hof heeft immers overwogen dat de cliënt zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd dat hij, als de advocaat een toevoeging zou hebben aangevraagd, niet meer verschuldigd zou zijn geweest dan de eigen bijdrage. Het hof achtte hierbij van belang dat toevoegingen in letselschadezaken in de regel slechts voorwaardelijk worden verleend en meestal ingetrokken worden zodra een uitkering wordt betaald en de rechtsbijstand bij de aansprakelijke partij in rekening kan worden gebracht.

Lees verder

Jurisprudentie

HR: beroep op voorbehoud in vaststellingsovereenkomst, vordering niet verjaard ex art. 3:307 lid 2 BW

  • Hoge Raad
  • 23 december 2016
  • ECLI:NL:HR:2016:2988
  • 15/04241

Tandarts loopt letsel op bij ongeval in 1980. In 1985 wordt de letselschade geregeld in vaststellingsovereenkomst met een voorbehoud voor belangrijke afwijkingen in zijn medische toestand. In 2007 wordt artrose vastgesteld en benadeelde doet een beroep op voorbehoud. Het gaat in dezen om de vraag of de vordering van benadeelde tot nakoming van het voorbehoud in de vaststellingsovereenkomst is verjaard op grond van artikel 3:307 lid 2 BW. Tussen partijen is niet in discussie dat deze vordering een vordering betreft tot nakoming na onbepaalde tijd, zoals bedoeld in artikel 3:307 lid 2 BW. Het hof oordeelde dat de vordering van benadeelde niet is verjaard: op grond van de in de vaststellingsovereenkomst uit 1985 opgenomen opschortende voorwaarde is de twintig jaartermijn van artikel 3:307 lid 2 BW eerst gaan lopen vanaf dag dat benadeelde in 2007 bekend werd met de schade aangezien eerst op dat moment de vordering op zijn vroegst opeisbaar was. De Hoge verwerpt de tegen het oordeel van het hof gerichte klachten en bekrachtigt het arrest van het hof.

Lees verder

Jurisprudentie

HR: medische aansprakelijkheid en norm kansschade

  • Hoge Raad
  • 23 december 2016
  • CLI:NL:HR:2016:2987
  • 15/03780

In 1996 prematuur geboren baby is als gevolg van netvliesloslating (ROP) kort na de geboorte blind geworden. Het hof oordeelde dat niet kon worden geconcludeerd dat als gevolg van de vertraging bij de controle een zodanig reële kans op een beter behandelingsresultaat verloren is gegaan dat dit toewijzing van het gevorderde zou kunnen rechtvaardigen. De Hoge Raad oordeelt echter: “Bij de beantwoording van de vraag of voor een patiënt een kans op een beter behandelingsresultaat verloren is gegaan, dient eerst te worden beoordeeld of is gehandeld in strijd met de norm van hetgeen een redelijk handelend en redelijk bekwaam beroepsgenoot betaamt. Indien wordt geoordeeld dat in strijd met deze norm is gehandeld, dient vervolgens ter beoordeling van het causaal verband tussen de normschending en de gestelde schade een vergelijking te worden gemaakt tussen de feitelijke situatie na de normschending en de hypothetische situatie zoals die geweest zou zijn als de normschending zou zijn uitgebleven.
(…) Voor die hypothetische situatie dient dus niet te worden uitgegaan van de norm van een redelijk handelend en redelijk bekwaam beroepsgenoot, maar van de behandeling die feitelijk zou hebben plaatsgevonden, zij het dat daarbij wel uitgangspunt moet zijn dat geen normschending zou hebben plaatsgevonden.” zie r.o. 3.5.3. Het hof heeft naar het oordeel van de Hoge Raad ten onrechte overwogen dat de norm waaraan getoetst moet worden bij de beoordeling van de hypothetisch situatie dat benadeelde eerder zou zijn behandeld, niet die van de optimaal handelende oogarts is, maar die van de redelijk handelende en redelijk bekwame oogarts. De Hoge Raad verwijst de zaak naar een ander hof.

Lees verder

Jurisprudentie

HR: uitkering weliswaar loon, maar maatschappelijk niet als beloningsvoordeel ervaren

  • Hoge Raad
  • 30 januari 2015
  • ECLI:NL:HR:2015:141
  • 13/03776

Op grond van art. 69 Barp droeg een politieagent aan zijn werkgever zijn vordering op een derde over tegen betaling van het bedrag van de vordering. Deze vordering was het gevolg van een veroordeling daartoe van de derde door de strafrechter. De praktijk wees uit dat slechts 28% van dergelijke vorderingen daadwerkelijk kon worden geïnd. De belastinginspecteur belastte 72% van de door de werkgever aan de agent betaalde vergoeding als loon. De Hoge Raad overwoog dat de rechtspositionele regeling ertoe strekte om politiemensen onbelemmerd te laten functioneren ter wille van het publieke belang. Weliswaar was het voordeel dat de agent genoot loon in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet LB (vgl. BNB 1984, 2), maar naar algemene maatschappelijke opvattingen werd de uitkering niet als beloningsvoordeel ervaren en bleef daarmee buiten de heffing.

Lees verder

HR: wegbeheerder niet aansprakelijk voor val over kabels, toetsing aan ‘kelderluikcriteria’ binnen art. 6:174 BW en art. 6:162 BW

  • Hoge Raad
  • 7 oktober 2016
  • ECLI:NL:HR:2016:2283
  • 15/02599

Benadeelde struikelt over elektriciteitskabels naar marktkramen en stelt de gemeente aansprakelijk ex art. 6:174 en 6:162 BW. 1. Aansprakelijkheid wegbeheerder ex art. 6:174 BW. Vooropgesteld wordt dat bij het antwoord op de vraag of de weg voldoet aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld en dus niet gebrekkig is, moet worden getoetst aan de ‘Kelderluikcriteria’. De Hoge Raad oordeelt dat de aansprakelijkheid van de wegbeheerder ex art. 6:174 BW beperkt is tot gebreken die samenhangen met de verkeersfunctie van de openbare weg. De aanwezigheid op een openbare weg van een voorwerp dat niet behoort tot de weg valt in de zin van art. 6:174 BW valt derhalve niet onder art. 6:174 lid 1 BW. 2. 1. Aansprakelijkheid ex art. 6:162 BW. De Hoge Raad overweegt vervolgens dat de wegbeheerder echter ook, mede uit hoofde van zijn algemene zorgplicht ten aanzien van de veiligheid van weggebruikers, wel aansprakelijk kan zijn voor de aanwezigheid van voorwerpen op de weg o.g.v. art. 6:162 BW. Indien de wegbeheerder bekend is met de aanwezigheid van het voorwerp op de weg, zoals in deze zaak de Gemeente met de aanwezigheid van de elektriciteitskabels, zijn voor de beoordeling van zijn aansprakelijkheid voor schade die ontstaat door verwezenlijking van het gevaar dat van die aanwezigheid uitging, van belang in hoeverre niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid waarschijnlijk is, hoe groot de kans is dat daaruit ongevallen ontstaan, hoe ernstig de gevolgen kunnen zijn, en in hoeverre het nemen van veiligheidsmaatregelen bezwaarlijk is (de ‘kelderluikcriteria’). 3. De Hoge Raad verwerpt de cassatiemiddelen tegen het oordeel van het hof dat de gemeente niet aansprakelijk is.

Lees verder

Jurisprudentie

HR: werknemer niet geslaagd in bewijs van arbeidsongeval (art. 81 RO)

  • Hoge Raad
  • 10 juni 2016
  • ECLI:NL:HR:2016:1137
  • 15/03233

Werkgeversaansprakelijkheid. In Caribische zaak omtrent gaat het om de vraag of de werknemer is geslaagd in het leveren van bewijs dat hem in 2009 een bedrijfsongeval is overkomen. De Hoge Raad volgt de conclusie van de A.-G. en oordeelt zonder andere motivering (art. 81 lid 1 RO) dat de werknemer niet is geslaagd in het bewijs. Door het Hof was geoordeeld dat er onvoldoende reden was in dit geval de bewijslast om te draaien, ook niet omdat er een SVB-meldingsformulier bedrijfsongeval was ingevuld. De persoon die het formulier had ingevuld, heeft namelijk onder ede verklaard dit op verzoek van werknemer te hebben gedaan. Het hof oordeelde voorts dat dat het feit dat geen melding was gedaan bij de Veiligheidsinspectie slechts consequenties heeft indien vaststaat dat een arbeidsongeval heeft plaatsgevonden.

Lees verder

Jurisprudentie

HR: niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen uitspraak Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg

  • Hoge Raad
  • 22 april 2016
  • ECLI:NL:HR:2016:728
  • 15/05687

Benadeelde (eiser in cassatie) heeft een klacht ingediend tegen een psychiater; deze klacht is door Regionaal Tuchtcollege en het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg afgewezen. Benadeelde heeft vervolgens cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad oordeelt dat ingevolge art. 75 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG) tegen een beslissing van het centrale tuchtcollege geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet. Eiser in cassatie wordt derhalve in zijn beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Lees verder

Jurisprudentie

HR: cassatieberoep in whiplashzaak verworpen (art 81 RO)

  • Hoge Raad
  • 26 februari 2016
  • ECLI:NL:HR:2016:338
  • 15/00193

Whiplash, ongeval 2000. Benadeelde was ten tijde van het ongeval samen met echtgenoot vennoot van v.o.f. en raakt volledige arbeidsongeschikt. Partijen verschillen o.a. van mening over het vaststellen van de schade wegens verlies van arbeidsvermogen. Dor benadeelde is cassatieberoep ingesteld tegen het tussenarrest. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep zinder nadere motivering (art 81 RO). A.-G. Spier stelt in zijn conclusie onder meer: “Partijen hebben over en weer alle registers opengetrokken. Dat heeft geleid tot een immense hoeveelheid papier, ellenlange processtukken en een grote hoeveelheid producties. Het Hof heeft zich veel moeite getroost om zich een weg te banen door dit oerwoud. Het Hof heeft de vraag of sprake is van “causaal verband” vooralsnog niet ten gronde onderzocht (…). Het valt daarom m.i. te betreuren dat tussentijds cassatieberoep zou zijn opengesteld. Het Hof had er m.i. beter aan gedaan om zich eerst over deze kwestie te buigen. Nu het dat niet heeft gedaan, is aan gerede twijfel onderhevig of benadeelde (voldoende) belang heeft bij haar klachten (in cassatie). Wanneer deze mislukken, is het cassatieberoep voor haar van ieder belang gespeend. Wanneer één of meer klachten zouden slagen, zou sprake kunnen zijn van een Pyrrhus-overwinning. Het valt te betreuren dat de Hoge Raad zich in zo’n prematuur stadium moet ontfermen over een lange reeks klachten die in essentie slechts een uiterst bewerkelijke feitelijke herbeoordeling vragen.”

Lees verder