Jurisprudentie

Hof: benadeelde niet-ontvankelijk in hoger beroep deelgeschil, want geen bindende eindbeslissing

  • Hof Amsterdam
  • 18 juli 2017
  • ECLI:NL:GHAMS:2017:2953
  • 200.196.551/01

Het hof verklaart benadeelde niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen een deelgeschil. In de deelgeschilprocedure had de kantonrechter het verzoek van benadeelde afgewezen, waarbij hij had overwogen dat er ernstige twijfels waren of het ongeval überhaupt had plaatsgevonden en over de toedracht. Een uitgebreid onderzoek zou moeten worden ingesteld, waarvoor het deelgeschil niet de aangewezen procedure is. Het hof oordeelt dat geen sprake is van een bindende eindbeslissing, die strekt ten nadele van benadeelde (art. 1019cc.3 Rv). Hetgeen de kantonrechter omtrent de toedracht heeft overwogen, komt er immers juist op neer dat nader onderzoek is aangewezen en dat de aard van de deelgeschilprocedure zich daartegen verzet.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: blootstelling aan asbest niet aannemelijk gemaakt, werkgever niet aansprakelijk

  • Hof Amsterdam
  • 6 juni 2017
  • ECLI:NL:GHAMS:2017:2121
  • 200.184.617/01

Werknemer is in 2014 overleden aan mesothelioom. Zijn erfgename stelt de werkgever aansprakelijk. 1. Het hof volgt appellante niet in haar stelling dat zij in het kader van bewijslevering kon volstaan met het aannemelijk maken dat werknemer aan asbest is blootgesteld, in die zin dat hij werkzaam is geweest in gebouwen of schepen waarin asbest was verwerkt. appellante zal in voldoende mate aannemelijk moeten maken, dat hij in aanraking is geweest met asbesthoudende vezels. 2. Het hof oordeelt dat de omkeringsregel niet van toepassing is, aangezien deze niet ziet op de schadeveroorzakende gebeurtenis maar slechts op de bewijslast ten aanzien van de causaliteit. 3. Appellante heeft naar het oordeel van het hof niet bewezen dat werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan asbest.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof (belasting): letselschadevergoeding valt niet onder vrijstelling voor heffingsgrondslag BOX 3

  • Hof Amsterdam
  • 6 april 2017
  • ECLI:NL:GHAMS:2017:1782
  • 16/00166

Benadeelde heeft in verband met verkeersongevallen letselschadeuitkeringen ontvangen. In hoger beroep is in geschil of de rendementsgrondslag van BOX 3 mag worden verminderd met de bank- en spaartegoeden die betrekking heeft op de letselschadeschadevergoedingen. Eiser stelt dat schadevergoedingen niet als vermogen moeten worden gezien, aangezien deze bedragen specifiek bedoeld zijn ter dekking van geleden en nog te lijden schade. Het hof oordeelt dat de rechtbank terecht heeft beslist dat de letselschadeuitkeringen niet vallen onder de vrijstelling. De rechtbank oordeelde dat in de Wet IB 2001 de heffingsgrondslag bij sparen en beleggen (“box 3”) geregeld is. Op grond van artikel 5.3 Wet IB 2001 behoren banktegoeden tot de grondslag voor die heffing. In dit artikel zijn ook de vrijstellingen geregeld; letselschadevergoedingen vallen niet onder deze vrijstelling. Het gehele vermogen telt derhalve mee.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: werknemer toegelaten tot bewijs dat collega werkgever heeft gevraagd om extra steiger

  • Hof Amsterdam
  • 30 mei 2017
  • ECLI:NL:GHAMS:2017:2057
  • 200.192.008/01

Werknemer –dakdekker- loopt in 2009 schouderklachten op, als hij een draai maakt om vuilniszakken van het dak naar beneden te laten zakken. Hij stelt zijn werkgever aansprakelijk ex art. 7:658 BW, omdat niet aan de zorgplicht is voldaan. Het hof neemt als vaststaand aan dat schouderklachten zijn opgelopen in de uitoefening van de werkzaamheden. Het debat van partijen spitst zich toe op de vraag of werkgever gehouden was ook aan de achterzijde van het pand een steiger te plaatsen. Daartoe bestond naar het oordeel van het hof bij de aanvang van de werkzaamheden geen aanleiding omdat de chef monteur, die de situatie ter plaatse tevoren had beoordeeld, niet kon weten dat er in de goot aan de achterzijde een aanzienlijke hoeveelheid vuil lag. Werknemer heeft echter gesteld dat werkgever hiervan later op de hoogte is gebracht, wat door de werkgever wordt betwist. Het hof laat werknemer toe zijn stelling te bewijzen zijn collega heeft gebeld en heeft gevraagd om plaatsing van een extra steiger aan de achterzijde van het pand.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: werkgever niet aansprakelijk voor letsel tijdens BHV-cursus

  • Hof Amsterdam
  • 25 april 2017
  • ECLI:NL:GHAMS:2017:1633
  • 200.188.213/01

Werknemer loopt letsel op als hij tijdens training als Bedrijfs Hulp Verlener (BHV)een man moet verslepen en ten val komt. Hij stelt zijn werkgever aansprakelijk ex art 7:658 BW. Het hof oordeelt niet kan worden aangenomen dat [de werkgever dan wel het trainingsinstituut door werknemer te laten deelnemen aan de cursus BHV een situatie in het leven hebben geroepen die andere en verdergaande maatregelen vereiste dan is geschied. Werkgever is niet aansprakelijk jegens werknemer door hem naar een cursus te sturen die verzorgd werd door een erkend/gecertificeerd instituut en het trainingsinstituut , als hulppersoon van werkgever, is dat evenmin omdat niet aannemelijk is geworden dat zij bij het verzorgen van de desbetreffende cursus de veiligheid van werknemer uit het oog heeft verloren.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: uitgegaan moet worden van het acceptatiebeleid van de concrete verzekeraar

  • Hof Amsterdam
  • 4 april 2017
  • ECLI:NL:GHAMS:2017:1195
  • 200.192.737/01

Het staat een verzekeraar in beginsel vrij om bij een verzekering haar beleid te volgen. Daarnaast geldt dat [appellant] uit de aan hem voorgelegde gezondheidsverklaring en toelichting daarop, had behoren te begrijpen dat de gevraagde informatie van belang was voor de beoordeling van het te verzekeren risico. Naar het oordeel van het hof heeft verzekeraar haar acceptatiebeleid voldoende aangetoond. Van dat beleid behoeft niet te worden geabstraheerd. Met name hoeft niet te worden uitgegaan van acceptatiecriteria van een redelijk handelend verzekeraar.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: mesothelioom veroorzaakt door relevante blootstelling aan asbest

  • Hof Amsterdam
  • 25 oktober 2016
  • ECLI:NL:GHAMS:2016:4270
  • 200.175.693/01

De kantonrechter oordeelde na deskundigenbericht dat bij een werknemer in de periode 1961-1989 relevante blootstelling aan asbest had plaats gevonden en legde de bewijslast bij de werkgever ten aanzien van de stelling dat hij heeft voldaan aan haar zorgplicht. Het hof oordeelt dat de kantonrechter ten onrechte een inhoudelijke beoordeling van de vraag of de deskundigen hun oordeel gedegen gemotiveerd hebben, niet heeft toegelicht. Dat leidt echter niet tot vernietiging van het tussenvonnis, aangezien het hof vaststelt dat de deskundigen hun rapport voldoende hebben onderbouwd en aldus tot hun conclusie hebben kunnen komen. Daarmee hebben de deskundigen ook tot de conclusie kunnen komen dat van een relevante blootstelling sprake was. Van een relevante blootstelling kan ook sprake zijn indien de toentertijd geldende MAC-waarden niet werden overschreden. Werkgever had al vanaf 1965 op de hoogte had kunnen zijn van de risico’s van blootstelling aan asbest.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: psychische schade na bankoverval in 1990, vordering verjaard

  • Hof Amsterdam
  • 6 december 2016
  • ECLI:NL:GHAMS:2016:5231
  • 200.178.042/01

Werkneemster stelt bank aansprakelijk voor (psychische) schade na gewapende overval in 1990. Het hof oordeelt dat de vordering is verjaard. Het hof overweegt dat de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW een objectief en in beginsel absoluut karakter heeft. Dat wil niet zeggen dat deze termijn nooit op grond van artikel 6:2 lid 2 BW buiten toepassing zou kunnen blijven. Een zodanig uitzonderlijk geval kan zich voordoen wanneer onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken inderdaad tot schade zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin naar haar aard verborgen is gebleven dat zij daadwerkelijk is ontstaan en dus pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken (HR 24 april 2000, (Van Hese/De Schelde). Hiervan is geen sprake; de schade is niet naar haar aard verborgen gebleven.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: hoger beroep deelgeschil mogelijk, bewijs van gebrekkige gladde vloer voorshands geleverd

  • Hof Amsterdam
  • 7 februari 2017
  • ECLI:NL:GHAMS:2017:368
  • 200.180.061/01

Hoger beroep deelgeschil. Appellanten hebben beheerder winkelcentrum aansprakelijk gesteld voor val op gladde houten vloer. 1. In de bestreden deelgeschilbeschikking is het deelgeschil niet beslecht, omdat de zaak zich niet leende voor behandeling in deelgeschil. Dit is geen situatie waarvoor art. 1019cc Rv (rechter gebonden aan oordeel deelgeschillenrechter als bij eindbeslissing) is geschreven. Echter, nu de bodemrechter – die tevens de rechter was in het deelgeschil – zelf heeft overwogen dat bepaalde rechtsoverwegingen beschouwd moeten worden als beslissingen als bedoeld in art. 1019cc Rv, moet worden geconcludeerd dat zij zich kennelijk in de bodemprocedure aan deze overwegingen gebonden acht. Om die reden zijn appellaten dan ook ontvankelijk in het hoger beroep. 2. Het hof stelt voorop dat voor het antwoord op de vraag of de beheerder aansprakelijk is voor de gevolgen van de valpartijen niet van doorslaggevende betekenis is of deze aansprakelijkheid gebaseerd is op art. 6:174 BW of art. 6:162 BW. Deze maatstaven komen overeen met de Kelderluikcriteria. Het hof oordeelt dat appellanten o.g.v. de overgelegde rapportage, verklaringen en foto’s voorshands bewezen hebben dat de vloer ten tijde van de valpartijen niet voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden gesteld mochten worden. Tegenbewijs is mogelijk.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: gemeente niet aansprakelijk voor val motorrijder op opgebroken wegdek

  • Hof Amsterdam
  • 11 oktober 2016
  • ECLI:NL:GHAMS:2016:4095
  • 200.133.681/01

Motorrijder is ter hoogte van een trens (opbreking in wegdek t.b.v. de aanleg van nutsvoorzieningen) ten val gekomen en heeft daarbij ernstig letsel opgelopen. UWV stelt gemeente aansprakelijk o.g.v. art 6:162 BW. Uit getuigenverklaringen is gebleken dat de gemeente een wegbeheerder heeft aangesteld die inspecties ter plaatse heeft verricht. Het hof oordeelt dat UWV onvoldoende concrete feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan als vaststaand kan worden aangenomen dat de Gemeente, in weerwil van de bevindingen van de wegbeheerder voorafgaand aan het ongeval wist of had behoren te weten dat de trens op de Heining een gevaar voor motorrijders opleverde. De gemeente heeft met het aanstellen van een wegbeheerder voldoende invulling gegeven aan de op haar als wegbeheerder rustende verplichting om zoveel mogelijk te voorkomen dat op de openbare weg een voor weggebruikers gevaarlijke situatie ontstaat.

Lees verder

Jurisprudentie

Rectificatie: Hof: dwarsleasie baby, geen recht benadeelde op inzage in advies van door ziekenhuis ingeschakelde medisch deskundige

  • Hof Amsterdam
  • 13 september 2016
  • ECLI:NL:GHAMS:2016:3739
  • 200.173.424/01

Door het PIV werd in de eerdere samenvatting van deze uitspraak ten onrechte vermeld dat het hof 50% aansprakelijkheid had aangenomen. Hieronder volgt de juiste samenvatting. Excuses hiervoor. Zes weken na de geboorte blijkt een baby een dwarslaesie te hebben. 1. De ouders stellen dat dat bij de geboorte gebeurd moet zijn, maar slagen niet in het bewijs van die stelling. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank die eerder concludeerde dat er een (proportionele) aansprakelijkheid was. Aansprakelijkheid is niet komen vast te staan. 2. Inzage in medisch advies. Benadeelde vordert ex art 843a Rv inzage in het medisch advies dat het ziekenhuis aan een radioloog had gevraagd. Het hof wijst de vordering af. Het hof stelt voorop dat iedere partij het recht heeft om haar verdediging in vrijheid en beslotenheid voor te bereiden. Dat is een fundamenteel recht dat voortvloeit uit artikel 6 EVRM. Daartoe behoort ook het in vertrouwen raadplegen van deskundigen teneinde de eigen procespositie te kunnen bepalen. Benadeelde heeft aangevoerd dat het ziekenhuis, gelet op de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), inzage niet mag weigeren. Het hof gaat hier niet in mee. Eerder had het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat een de juridische analyse geen persoonsgegeven vormt. In dit geval is geen sprake van een medisch onderzoek, maar van een medische analyse van bestaande gegevens. Evenals de juridische analyse in de uitspraak van het HvJEU, bevat de medische analyse geen informatie die door de belanghebbende zelf gecontroleerd kan worden op de juistheid ervan. Alleen die gegevens worden door de Wbp. Aan de Wbp kan geen verplichting kan worden ontleend om het medisch advies te verstrekken.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: hond bijt kat dood, bezitter kat niet aansprakelijk voor kosten dierenarts hond

  • Hof Amsterdam
  • 2 augustus 2016
  • ECLI:NL:GHAMS:2016:3194
  • 200.181.421/01

Hond bijt kat dood. De bezitter van de hond is aansprakelijk ex art. 6:179 BW voor de schade aan de kat (dagwaarde kat € 150,-). De bezitter van de hond heeft op zijn beurt de eigenaar van de kat aansprakelijk gesteld voor de kosten van de dierenarts van de hond (€ 3.993,96). Het hof acht, evenals de kantonrechter, de bezitter van de kat niet aansprakelijk voor de kosten van de dierenarts, omdat er onvoldoende gesteld is dat de kat de hond heeft gekrabd of gebeten.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: dwarsleasie na keizersnede, geen recht benadeelde op inzage in advies van door ziekenhuis ingeschakelde medisch deskundige

  • Hof Amsterdam
  • 13 september 2016
  • ECLI:NL:GHAMS:2016:3739
  • 200.173.424/01

Zes weken na de geboorte blijkt een baby een dwarslaesie te hebben. 1. De ouders stellen dat dat bij de geboorte gebeurd moet zijn, maar slagen niet in het bewijs van die stelling. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank die eerder concludeerde dat er een (proportionele) aansprakelijkheid was. Aansprakelijkheid is niet komen vast te staan. 2. Inzage in medisch advies. Benadeelde vordert ex art 843a Rv inzage in het medisch advies dat het ziekenhuis aan een radioloog had gevraagd. Het hof wijst de vordering af. Het hof stelt voorop dat iedere partij het recht heeft om haar verdediging in vrijheid en beslotenheid voor te bereiden. Dat is een fundamenteel recht dat voortvloeit uit artikel 6 EVRM. Daartoe behoort ook het in vertrouwen raadplegen van deskundigen teneinde de eigen procespositie te kunnen bepalen. Benadeelde heeft aangevoerd dat het ziekenhuis, gelet op de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), inzage niet mag weigeren. Het hof gaat hier niet in mee. Eerder had het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat een de juridische analyse geen persoonsgegeven vormt. In dit geval is geen sprake van een medisch onderzoek, maar van een medische analyse van bestaande gegevens. Evenals de juridische analyse in de uitspraak van het HvJEU, bevat de medische analyse geen informatie die door de belanghebbende zelf gecontroleerd kan worden op de juistheid ervan. Alleen die gegevens worden door de Wbp. Aan de Wbp kan geen verplichting kan worden ontleend om het medisch advies te verstrekken.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: ziekenhuis aansprakelijk voor val patiënt van trolley op SEH

  • Hof Amsterdam
  • 29 mei 2016
  • ECLI:NL:GHAMS:2016:2005
  • 200.160.236/01

Onrustige patiënt valt op Spoedeisende Hulp van trolley (smal bed) en loopt letsel op. 1. Het hof toets aan de kelderluikcriteria (a. de mate van waarschijnlijkheid waarmee voor het ziekenhuis was te verwachten dat benadeelde niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid zou betrachten, b. de hoegrootheid van de kans dat ongevallen zouden ontstaan; c. de mogelijke ernst van de gevolgen daarvan d. de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.) en concludeert dat het ziekenhuis, gelet op alle omstandigheden van het geval, is tekortgeschoten in de zorg die van haar jegens benadeelde kon worden gevergd. Het hof acht het ziekenhuis aansprakelijk voor de schade. 2. Kosten deelgeschil: Het hof acht het uurtarief van € 300,= (exclusief BTW en kantoorkosten) onredelijk hoog; uurtarief van € 250,- wordt toegewezen.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: ‘no cure no pay’-overeenkomst niet in strijd met goede zeden, geen misbruik van omstandigheden, geen dwaling

  • Hof Amsterdam
  • 20 juli 2016
  • ECLI:NL:GHAMS:2016:2899
  • 200.160.258/01

Ongeval 1998. Benadeelde (appellant) gaat, omdat hij niet tevreden is over het resultaat van zijn belangenbehartiger naar andere belangenbehartiger (geïntimeerde) en sluit in 2005 een ‘schaderegelingsovereenkomst’ op basis van ‘no cure no pay’. De tweede belangenbehartiger houdt een honorarium van € 45.458,- (20%) in op de schade-uitkering. 1. Het hof acht de schaderegelingsovereenkomst niet nietig wegens strijd met de goede zeden en de goede openbare orde ex art. 3:40 lid 1 BW. De omstandigheid dat verzekeraar aan de eerste advocaat heeft laten weten bereid te zijn de zaak te regelen voor € 200.000,- leidt niet tot een ander oordeel. Niet is immers komen vast te staan dat de tweede belangenbehartiger daarmee bekend was. Het hof verwerpt het verweer dat de tweede belangenbehartiger haar zou hebben moeten uitleggen dat indien hij er niet in zou slagen de slotuitkering hoger te krijgen dan € 200.000,-, zij er per saldo flink op achteruit zou gaan (zie r.o. 3.5). 2. Het hof oordeelt dat
de schaderegelingsovereenkomst niet vernietigd behoeft te worden wegens misbruik van omstandigheden als in art. 3:44 lid 3 BW bedoeld. Benadeelde stelt dat zij onervaren was; een nadere toelichting heeft zij echter niet gegeven (zie r.o. 3.6). 3. Het beroep van benadeelde op dwaling faalt eveneens.

Lees verder