Jurisprudentie

Hoge Raad: verjaringstermijn voor asbestslachtoffers niet in strijd met EVRM

  • Hoge Raad
  • 24 maart 2017
  • ECLI:NL:HR:2017:494
  • 15/05837

De Hoge Raad schets allereerst het verjaringsregime in asbestzaken: een rechtsvordering i.v.m. schade als gevolg van blootstelling aan asbest vóór 1 februari 2004 verjaart ingevolge art. 3:310 lid 2 BW na dertig jaar. In HR 28 april 2000 heeft de Hoge Raad geoordeeld, dat de verjaringstermijn van dertig jaar o.g.v. art. 6:2 lid 2 BW buiten toepassing kan blijven (onder meer) wanneer de schade haar aard verborgen is gebleven en pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken. De Hoge Raad oordeelt nu: “Gelet op de duur van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 2 BW en het met de verjaring beoogde belangrijke doel van de rechtszekerheid, alsmede gelet op de mogelijkheid die verjaring met toepassing van art. 6:2 lid 2 BW buiten toepassing te laten, is sprake van een beperking van het recht op toegang tot de rechter die met art. 6 lid 1 EVRM verenigbaar is. Of toepassing van de verjaringstermijn van dertig jaar na de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, inderdaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, moet met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval worden beoordeeld aan de hand van de in het arrest van 28 april 2000 vermelde gezichtspunten. In dit stelsel hebben mesothelioomslachtoffers die (voor het laatst) vóór 1 februari 2004 aan asbest zijn blootgesteld en bij wie de ziekte zich meer dan dertig jaar na die blootstelling openbaart, niet in algemene zin zekerheid dat zij een aanspraak op schadevergoeding kunnen verwezenlijken. Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval(…). Het arrest van het EHRM in de zaak Howald Moor c.s./Zwitserland geeft geen aanleiding die beperking van het recht op toegang tot de rechter niet langer met art. 6 lid 1 EVRM verenigbaar te achten.”

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: mishandelingen binnen katholieke kerk: beroep op absolute verjaring niet onaanvaardbaar

  • Hof Den Bosch
  • 21 februari 2017
  • ECLI:NL:GHSHE:2017:584
  • 200 178 285_01

Benadeelde heeft in 2010 de Confederatie van de Vlaamse en Nederlandse Provincie van de Congregatie van de Priesters van het Heilig Hart van Jezus aansprakelijk gesteld voor de schade door mishandelingen gedurende zijn verblijf in een jongensinternaat in de periode 1964-1971. Het hof toetst aan de zeven gezichtspunten die de Hoge Raad heeft ontwikkeld in het arrest 28 april 2000 LJN: AA5635 (Van Hese/de Schelde). Niet is komen vast te staan dat sprake is van verborgen schade. Eiser is 20 jaar later in de periode 1990-1993 onder behandeling geweest van een psychiater voor klachten wegens de gebeurtenissen tijdens verblijf in het jongensinternaat.. Hij heeft vervolgens de Congregatie pas in 2010 aansprakelijk gesteld. Op grond de gezichtspunten (a) tot en met (g) uit het arrest Van Hese/De Schelde in onderling verband en samenhang bezien, komt het hof tot de conclusie dat het beroep op verjaring van de Congregatie niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: psychische schade na bankoverval in 1990, vordering verjaard

  • Hof Amsterdam
  • 6 december 2016
  • ECLI:NL:GHAMS:2016:5231
  • 200.178.042/01

Werkneemster stelt bank aansprakelijk voor (psychische) schade na gewapende overval in 1990. Het hof oordeelt dat de vordering is verjaard. Het hof overweegt dat de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW een objectief en in beginsel absoluut karakter heeft. Dat wil niet zeggen dat deze termijn nooit op grond van artikel 6:2 lid 2 BW buiten toepassing zou kunnen blijven. Een zodanig uitzonderlijk geval kan zich voordoen wanneer onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken inderdaad tot schade zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin naar haar aard verborgen is gebleven dat zij daadwerkelijk is ontstaan en dus pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken (HR 24 april 2000, (Van Hese/De Schelde). Hiervan is geen sprake; de schade is niet naar haar aard verborgen gebleven.

Lees verder

Jurisprudentie

HR: beroep op voorbehoud in vaststellingsovereenkomst, vordering niet verjaard ex art. 3:307 lid 2 BW

  • Hoge Raad
  • 23 december 2016
  • ECLI:NL:HR:2016:2988
  • 15/04241

Tandarts loopt letsel op bij ongeval in 1980. In 1985 wordt de letselschade geregeld in vaststellingsovereenkomst met een voorbehoud voor belangrijke afwijkingen in zijn medische toestand. In 2007 wordt artrose vastgesteld en benadeelde doet een beroep op voorbehoud. Het gaat in dezen om de vraag of de vordering van benadeelde tot nakoming van het voorbehoud in de vaststellingsovereenkomst is verjaard op grond van artikel 3:307 lid 2 BW. Tussen partijen is niet in discussie dat deze vordering een vordering betreft tot nakoming na onbepaalde tijd, zoals bedoeld in artikel 3:307 lid 2 BW. Het hof oordeelde dat de vordering van benadeelde niet is verjaard: op grond van de in de vaststellingsovereenkomst uit 1985 opgenomen opschortende voorwaarde is de twintig jaartermijn van artikel 3:307 lid 2 BW eerst gaan lopen vanaf dag dat benadeelde in 2007 bekend werd met de schade aangezien eerst op dat moment de vordering op zijn vroegst opeisbaar was. De Hoge verwerpt de tegen het oordeel van het hof gerichte klachten en bekrachtigt het arrest van het hof.

Lees verder

Vaknieuws

PIV-Bulletin 2016-3 1 Overgangsrechtperikelen bij verjaring van verzekeringsvorderingen

  • 1 juli 2016
  • Mevrouw mr. S.P.A. Wensink-Vergunst, Bosselaar Strengers Advocaten
  • ECLI:NL:HR:2015:3618

Annotatie bij Hoge Raad, 18 december 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3618)

Op 1 januari 2006 is bij de invoering van het nieuwe verzekeringsrecht een specifieke bepaling opgenomen ten aanzien van de verjaring van een rechtsvordering tegen een verzekeraar tot het doen van een uitkering. In art. 7:942 BW is de zogenoemde ‘duurstuiting’ geïntroduceerd: nadat schriftelijk aanspraak is gemaakt op uitkering, gaat pas een nieuwe verjaringstermijn lopen nadat de verzekeraar de aanspraak ofwel erkent, ofwel de aanspraak afwijst op de in het artikel voorgeschreven wijze. Laat de verzekeraar dit na of voldoet de afwijzing niet aan de vereisten uit het artikel, dan loopt er in het geheel geen verjaringstermijn.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: garage bekend met gevaar wit asbest, beroep op verjaring onaanvaardbaar

  • Rechtbank Rotterdam
  • 17 juli 2015
  • ECLI:NL:RBROT:2015:5084
  • 3519752 CV EXPL 14-50268

De automonteur is in de garage na 1965 aan asbest blootgesteld aan de gevolgen waarvan hij na aansprakelijkstelling van de werkgever is overleden. De gemeente is mogelijk mede aansprakelijk door het opleggen van een verplichting in zijn woning asbesthoudend materiaal aan te brengen. Dat vermindert de aansprakelijkheid van de werkgever door art. 6:99 BW niet. Het verweer dat het gevaar van het gebruik van wit asbest niet bekend was baat de werkgever niet. Nooit is aangetoond dat wit asbest (chrysotiel) ongevaarlijk was, terwijl al vanaf het begin van de twintigste eeuw door wetenschappelijk onderzoekers is vastgesteld dat zowel wit, blauw als bruin asbest gevaarlijk was en tot gezondheidsschade kon leiden. Door geen maatregelen ter voorkoming van schade te nemen is de kans dat de werknemer een tot een mesothelioom leidend asbestkristal zou binnenkrijgen, in aanmerkelijke mate verhoogd (HR 25 juni 1993, LJN: AD1907). Voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van artikel 7:658 BW geldt de verjaringstermijn van 30 jaren als bedoeld in artikel 3:310 lid 2 BW (HR 2 oktober 1998, LJN: ZC2720). Deze termijn begint te lopen na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, in dit geval de laatste blootstelling aan asbest. In 1979 was de laatste blootstelling aan asbest. De verjaring was voltooid in 2009. Aan de hand van de zeven gezichtspunten die de Hoge Raad heeft ontwikkeld in het arrest 28 april 2000 (Van Hese/De Schelde; LJN: AA5635) komt de kantonrechter tot het oordeel dat een beroep op verjaring onaanvaardbaar is op grond van redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter sluit aan bij het normbedrag voor smartengeld dat het Instituut Asbestslachtoffers IAS hanteert voor slachtoffers van mesothelioom.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: blootstelling aan asbest ná 1979 niet bewezen, voor periode vóór 1979 beroep op verjaring niet onaanvaardbaar

  • Hof Den Bosch
  • 27 mei 2014
  • ongepubliceerd
  • HD 200.110.667/02

Asbest. Bij tussenarrest heeft het hof aan appellante (weduwe/erfgename) opgedragen te bewijzen dat de overleden werknemer tijdens zijn werkzaamheden bij werkgever na 1979 blootgesteld is geweest aan asbest. Het hof oordeelt dat appellante niet is geslaagd in bewijslevering; slechts één getuige heeft een verklaring heeft afgelegd over de periode na 1979. Deze verklaring is echter te vaag en innerlijk tegenstrijdig. Ten aanzien van de periode vóór 1979 komt het hof aan de hand van de gezichtspuntencatalogus, ontleend aan HR 28 april 2000 (Van Hese/De Schelde), tot het oordeel dat het beroep van de werkgever op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Alle gezichtspunten, behalve gezichtspunt g, vallen in meer of mindere mate in het voordeel uit van werkgever.

Lees verder

Vaknieuws

Beantwoording kamervragen over uitspraak EHRM over verjaringstermijn asbestzaken

  • Tweede Kamer
  • 1 mei 2014

Minister Opstelten van Veiligheid en Justitie beantwoordt kamervragen over de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over de verjaringstermijn van civiele vorderingen van asbestslachtoffers en de toegang tot het recht. Hij geeft aan dat de Nederlandse wet- en regelgeving verschilt van de Zwitserse en wél in overeenstemming is met het EVRM. In Nederland geldt een langere verjaringstermijn en geldt vanaf 2004 een speciale regeling voor verborgen personenschade. Daarnaast kent Nederland een IAS-uitkering en heeft de Hoge Raad gezichtspunten opgesteld aan de hand waarvan kan worden bepaald of een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: vaststellingsovereenkomst met voorbehoud: verjaring gaat lopen op moment bekendheid schade

  • Rechtbank Den Bosch
  • 27 februari 2013
  • BZ2901
  • 239938 / HA ZA 11-1692

Ongeval 1980; schade is in 1985 afgewikkeld door middel van vaststellingsovereenkomst met voorbehoud voor belangrijke verslechtering ten opzichte van expertise in 1982. Verzekeraar stelt dat 20-jarige verjaringstermijn is gaan lopen op moment ondertekening vaststellingsovereenkomst in 1985 en vraagt verklaring voor recht dat vordering is verjaard; benadeelde stelt dat termijn is gaan lopen op moment van bekend worden met schade in 2007. Eerst toen kon hij immers, zoals overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst, de schade opeisen. De rechtbank oordeelt dat de verjaring is gaan lopen in 2007 en wijst de verklaring voor recht af. 2. De rechtbank oordeelt dat een voorlopig deskundigenbericht in het verdere verloop van een geschil tussen partijen niet als bindend is te beschouwen, nu van deze beslissing geen hoger beroep en cassatie mogelijk is.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: werkgever (RDM) aansprakelijk voor mesothelioom, beroep op verjaring onaanvaardbaar

  • Hof Den Haag
  • 18 december 2012
  • BY6205
  • 200.079.209/01

Werknemer is in de jaren 1952-1964 blootgesteld aan asbest tijdens werk bij werkgever RDM. In 2008 wordt mesothelioom vastgesteld en stelt hij de werkgever aansprakelijk. 1. Het hof oordeelt dat de werkgever zijn zorgplicht heeft geschonden. Verweer dat mesothelioom elders kan zijn opgelopen verworpen. 2. Verjaring. Het hof toets aan de gezichtspunten van HR 28 april 2000, NJ 2000, 430 (Van Hese/De Schelde) en komt tot het oordeel dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaard is. 3. Immateriële schade begroot op € 50.000,–.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: werkgever (De Schelde) aansprakelijk voor mesothelioom, beroep op verjaring onaanvaardbaar

  • Hof Den Bosch
  • 18 december 2012
  • BY7010
  • HD 200.076.627 T

Werknemer is in de jaren 1959-1967 blootgesteld aan asbest tijdens werk bij werkgever De Schelde. In 2007 wordt mesothelioom vastgesteld en stelt zijn echtgenote de werkgever aansprakelijk. 1. Het hof oordeelt dat de werkgever zijn zorgplicht heeft geschonden. Verweer dat mesothelioom elders kan zijn opgelopen verworpen. 2. Verjaring. Het hof toets aan de gezichtspunten van HR 28 april 2000, NJ 2000, 430 (Van Hese/De Schelde) en komt tot het oordeel dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaard is. Volgt verwijzing naar rol voor uitlating schadehoogte.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: werkgever aansprakelijk voor blootstelling aan asbest in 1965/1966, geen verjaring

  • Hof Den Bosch
  • 28 augustus 2012
  • BX6042
  • HD 200.068.372

Werknemer was rond 1965/1966 als bouwvakker werkzaam in een nieuwbouwwijk, waar astbesthoudende pijpen zijn gebruikt. In 2009 is werknemer aan de gevolgen van mesothelioom overleden. Het hof oordeelt aan de in Hoge Raad 28 april 2000, NJ 2000, 430 (Van Hese-De Schelde) ontwikkelde gezichtspunten dat het door de werkgever gedane beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof oordeelt dat de rechtsvoorgangster van werkgever destijds zijn zorgplicht ex artikel 7:658 lid 2 BW niet is nagekomen. Ook al had de werkgever in 1965/1966 niet bekend behoeven te zijn met het risico van mesothelioom, dan nog had hij maatregelen behoren te nemen in verband met het hem wel bekende risico van asbestose bij blootstelling aan asbest.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: Eternits aansprakelijk voor in het verkeer brengen asbestcementafval zonder waarschuwing

  • Hof Arnhem
  • 20 december 2011
  • BV0374
  • 200.069.426

Nabestaanden van aan mesothelioom overleden slachtoffer stellen Eternit aansprakelijk voor het in 1968 ter beschikking stellen van asbestcementafval zonder passende waarschuwing. Het hof oordeelt dat Eternit in de periode vanaf de afgifte van het asbestcementafval tot aan in ieder geval 1999 (met de invoering van de overheidsmaatregelen tot sanering) onrechtmatig heeft gehandeld jegens overledene en diens nabestaanden door geen brede waarschuwing uit te laten gaan betreffende de gezondheidsgevaren van het gebruik van asbestcementafval en de gezondheidsrisico’s bij inademen van asbestcementstof. Vordering is niet verjaard (vervolg).

Lees verder