Jurisprudentie

Rb: verzoek om een voorlopig deskundigenbericht door een psychiater vanwege seksueel misbruik toegewezen

  • Rechtbank Gelderland
  • 29 mei 2017
  • ECLI:NL:RBGEL:2017:2870
  • C/05/317275/HA RK 17-65

Benadeelde acht stichting jeugdbescherming aansprakelijk voor schade door seksueel misbruik in een pleeggezin van 1998 t/m 2000 en verzoekt om voorlopig deskundigenbericht door psychiater. Door Schadefonds Geweldsmisdrijven is smartengeld van € 25.000,- toegekend; de overige schade is afgewezen. De stichting stelt dat benadeelde geen belang heeft bij zijn verzoek omdat een eventuele vordering is verjaard. De rechtbank wil niet vooruit lopen op een eventuele procedure. Slechts indien zonder meer duidelijk is dat het beroep op verjaring zal slagen, kan worden geoordeeld dat verzoeker geen belang heeft bij het door hem verzochte onderzoek. Dat causaal verband volgens SJG ontbreekt staat aan toewijzing van het verzoek evenmin in de weg. Het verzoek strekt er juist toe het eventuele bestaan van een verdergaande schadevergoedingsplicht te doen onderzoeken. Verzoek toegewezen.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: bewezen moet worden dat stuiting van verjaring is ontvangen

  • Hof Leeuwarden
  • 4 april 2017
  • ECLI:NL:GHARL:2017:2922
  • 200.174.697

Verjaring wordt door een verklaring daartoe gestuit. Indien de ontvangst daarvan wordt betwist, moet de afzender feiten of omstandigheden stellen en zo nodig bewijzen waaruit volgt dat de verklaring is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, en dat de verklaring aldaar is aangekomen (HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104). Het is niet voldoende dat de afzender de verzending bewijst; hij dient tevens aan te tonen dat zijn bericht ook op dat adres is aangekomen. In dat bewijs is eiser niet geslaagd.

Lees verder

Jurisprudentie

Hoge Raad: verjaringstermijn voor asbestslachtoffers niet in strijd met EVRM

  • Hoge Raad
  • 24 maart 2017
  • ECLI:NL:HR:2017:494
  • 15/05837

De Hoge Raad schets allereerst het verjaringsregime in asbestzaken: een rechtsvordering i.v.m. schade als gevolg van blootstelling aan asbest vóór 1 februari 2004 verjaart ingevolge art. 3:310 lid 2 BW na dertig jaar. In HR 28 april 2000 heeft de Hoge Raad geoordeeld, dat de verjaringstermijn van dertig jaar o.g.v. art. 6:2 lid 2 BW buiten toepassing kan blijven (onder meer) wanneer de schade haar aard verborgen is gebleven en pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken. De Hoge Raad oordeelt nu: “Gelet op de duur van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 2 BW en het met de verjaring beoogde belangrijke doel van de rechtszekerheid, alsmede gelet op de mogelijkheid die verjaring met toepassing van art. 6:2 lid 2 BW buiten toepassing te laten, is sprake van een beperking van het recht op toegang tot de rechter die met art. 6 lid 1 EVRM verenigbaar is. Of toepassing van de verjaringstermijn van dertig jaar na de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, inderdaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, moet met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval worden beoordeeld aan de hand van de in het arrest van 28 april 2000 vermelde gezichtspunten. In dit stelsel hebben mesothelioomslachtoffers die (voor het laatst) vóór 1 februari 2004 aan asbest zijn blootgesteld en bij wie de ziekte zich meer dan dertig jaar na die blootstelling openbaart, niet in algemene zin zekerheid dat zij een aanspraak op schadevergoeding kunnen verwezenlijken. Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval(…). Het arrest van het EHRM in de zaak Howald Moor c.s./Zwitserland geeft geen aanleiding die beperking van het recht op toegang tot de rechter niet langer met art. 6 lid 1 EVRM verenigbaar te achten.”

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: mishandelingen binnen katholieke kerk: beroep op absolute verjaring niet onaanvaardbaar

  • Hof Den Bosch
  • 21 februari 2017
  • ECLI:NL:GHSHE:2017:584
  • 200 178 285_01

Benadeelde heeft in 2010 de Confederatie van de Vlaamse en Nederlandse Provincie van de Congregatie van de Priesters van het Heilig Hart van Jezus aansprakelijk gesteld voor de schade door mishandelingen gedurende zijn verblijf in een jongensinternaat in de periode 1964-1971. Het hof toetst aan de zeven gezichtspunten die de Hoge Raad heeft ontwikkeld in het arrest 28 april 2000 LJN: AA5635 (Van Hese/de Schelde). Niet is komen vast te staan dat sprake is van verborgen schade. Eiser is 20 jaar later in de periode 1990-1993 onder behandeling geweest van een psychiater voor klachten wegens de gebeurtenissen tijdens verblijf in het jongensinternaat.. Hij heeft vervolgens de Congregatie pas in 2010 aansprakelijk gesteld. Op grond de gezichtspunten (a) tot en met (g) uit het arrest Van Hese/De Schelde in onderling verband en samenhang bezien, komt het hof tot de conclusie dat het beroep op verjaring van de Congregatie niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: psychische schade na bankoverval in 1990, vordering verjaard

  • Hof Amsterdam
  • 6 december 2016
  • ECLI:NL:GHAMS:2016:5231
  • 200.178.042/01

Werkneemster stelt bank aansprakelijk voor (psychische) schade na gewapende overval in 1990. Het hof oordeelt dat de vordering is verjaard. Het hof overweegt dat de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW een objectief en in beginsel absoluut karakter heeft. Dat wil niet zeggen dat deze termijn nooit op grond van artikel 6:2 lid 2 BW buiten toepassing zou kunnen blijven. Een zodanig uitzonderlijk geval kan zich voordoen wanneer onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken inderdaad tot schade zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin naar haar aard verborgen is gebleven dat zij daadwerkelijk is ontstaan en dus pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken (HR 24 april 2000, (Van Hese/De Schelde). Hiervan is geen sprake; de schade is niet naar haar aard verborgen gebleven.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: ontploffing woonwagen in 2005, vordering op gemeente verjaard

  • Rechtbank Limburg
  • 8 februari 2017
  • ECLI:NL:RBLIM:2017:1054
  • C/03/223134 / HA ZA 16-406

In 2005 heeft eiseres letsel opgelopen bij een ontploffing bij haar woonwagen op een locatie die zij huurde van de gemeente. In 2006 heeft zij de gemeente per brief laten weten dat zij tevoren had gemeld dat zij en gaslucht rook. Van 2007 tot 2009 heeft een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. In 2016 heeft zij de gemeente aansprakelijk gesteld. De rechtbank stelt voorop dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade ingevolge art. 3:310 lid 1 BW verjaart door verloop van vijf jaar. Zelfs indien er van wordt uitgegaan dat het voorlopig getuigenverhoor stuitende werking zou hebben, dan nóg is de rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaard, nu de vordering pas in 2016 is ingesteld. Bovendien is niet gebleken dat de verjaring, nádat het voorlopig getuigenverhoor was beëindigd, op enige manier is gestuit.

Lees verder

Jurisprudentie

HR: beroep op voorbehoud in vaststellingsovereenkomst, vordering niet verjaard ex art. 3:307 lid 2 BW

  • Hoge Raad
  • 23 december 2016
  • ECLI:NL:HR:2016:2988
  • 15/04241

Tandarts loopt letsel op bij ongeval in 1980. In 1985 wordt de letselschade geregeld in vaststellingsovereenkomst met een voorbehoud voor belangrijke afwijkingen in zijn medische toestand. In 2007 wordt artrose vastgesteld en benadeelde doet een beroep op voorbehoud. Het gaat in dezen om de vraag of de vordering van benadeelde tot nakoming van het voorbehoud in de vaststellingsovereenkomst is verjaard op grond van artikel 3:307 lid 2 BW. Tussen partijen is niet in discussie dat deze vordering een vordering betreft tot nakoming na onbepaalde tijd, zoals bedoeld in artikel 3:307 lid 2 BW. Het hof oordeelde dat de vordering van benadeelde niet is verjaard: op grond van de in de vaststellingsovereenkomst uit 1985 opgenomen opschortende voorwaarde is de twintig jaartermijn van artikel 3:307 lid 2 BW eerst gaan lopen vanaf dag dat benadeelde in 2007 bekend werd met de schade aangezien eerst op dat moment de vordering op zijn vroegst opeisbaar was. De Hoge verwerpt de tegen het oordeel van het hof gerichte klachten en bekrachtigt het arrest van het hof.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: babyverwisseling in 1953; beroep op verjaring niet onaanvaardbaar

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant
  • 6 juli 2016
  • ECLI:NL:RBZWB:2016:4068
  • C/02/308817 / HA ZA 15-808

Benadeelde heeft in 2013 door DNA-onderzoek ontdekt dat hij in 1953 als baby is verwisseld. Hij heeft in 2015 het ziekenhuis aansprakelijk gesteld. De verjaringstermijn van 30 jaar is toepasselijk, zodat deze in 1983 is volgelopen. Benadeelde stelt dat een beroep op de absolute verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (HR 28 april 2000, ECLI:NL: HR:2000:AA56350). De rechtbank stelt voorop dat zij vanuit persoonlijk perspectief van benadeelde alleszins begrijpt dat de uitzonderlijke omstandigheid dat hij ná een periode van 60 jaar ongevraagd geconfronteerd is met het feit dat hij als baby is verwisseld een bijzondere impact heeft op zijn leven. De rechtbank toetst aan de gezichtspunten va het arrest van de Hoge Raad en concludeert dat geen enkel gezichtspunt evident vóór de door benadeelde gewenste doorbreking van de verjaring spreken, behoudens gezichtspunt b. De enkele omstandigheid dat benadeelde ogenschijnlijk geen aanspraak kan maken op schadevergoeding of een uitkering uit andere hoofde is naar het oordeel van de rechtbank echter niet een omstandigheid die dermate zwaar gewicht in de schaal legt, dat dit dient te leiden tot doorbreking van meergenoemde verjaringsregel.

Lees verder

Vaknieuws

PIV-Bulletin 2016-3 1 Overgangsrechtperikelen bij verjaring van verzekeringsvorderingen

  • 1 juli 2016
  • Mevrouw mr. S.P.A. Wensink-Vergunst, Bosselaar Strengers Advocaten
  • ECLI:NL:HR:2015:3618

Annotatie bij Hoge Raad, 18 december 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3618)

Op 1 januari 2006 is bij de invoering van het nieuwe verzekeringsrecht een specifieke bepaling opgenomen ten aanzien van de verjaring van een rechtsvordering tegen een verzekeraar tot het doen van een uitkering. In art. 7:942 BW is de zogenoemde ‘duurstuiting’ geïntroduceerd: nadat schriftelijk aanspraak is gemaakt op uitkering, gaat pas een nieuwe verjaringstermijn lopen nadat de verzekeraar de aanspraak ofwel erkent, ofwel de aanspraak afwijst op de in het artikel voorgeschreven wijze. Laat de verzekeraar dit na of voldoet de afwijzing niet aan de vereisten uit het artikel, dan loopt er in het geheel geen verjaringstermijn.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: OPS, vordering niet verjaard, werkgever aansprakelijk, deskundigenbericht ter vaststelling causaal verband

  • Hof Arnhem-Leeuwarden
  • 8 maart 2016
  • ECLI:NL:GHARL:2016:1788
  • 200.152.499/01

Werknemer, scheepsschilder, stelt dat hij lijdt aan OPS, die is veroorzaakt door (piek)blootstelling aan oplosmiddelen bij de werkgever en stelt de werkgever aansprakelijk. 1. Vordering niet verjaard. Het enkele feit dat omstreeks 2000/2001 vermoedde dat zijn klachten konden samenhangen met zijn werk, houdt naar het oordeel van het hof niet in dat hij daadwerkelijk daarmee bekend was. Het hof oordeelt dat de verjaringstermijn pas is gaan lopen op het moment waarop benadeelde in 2009 bij het Solvent Team bevestiging vond voor zijn vermoeden dat zijn klachten gerelateerd waren aan werk met oplosmiddelen. 2. Het hof komt tot het oordeel dat de werkgever de stelling dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan onvoldoende heeft onderbouwd. 3.Causaal verband. Het hof oordeelt dat er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat de klachten van werknemer (kunnen) zijn veroorzaakt door de (piek)blootstelling gedurende zijn betrekkelijk korte dienstverband bij werkgever. Het hof acht een deskundigenbericht noodzakelijk.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: stuiting verjaring door benadeelde geldt ook jegens regresnemer met zelfstandig vorderingsrecht; causaal verband whiplash en ongeval

  • Rechtbank Noord-Holland
  • 20 januari 2016
  • ECLI:NL:RBNHO:2016:966
  • C/15/221812 / HA ZA 15-93

Whiplash, regres door overheidswerkgever (VOA) voor doorbetaald salaris. 1. Verjaring. In de jurisprudentie is aanvaard dat stuiting door de benadeelde ook de verjaring stuit
t.b.v. de regresnemer krachtens subrogatie. Nu de Hoge Raad ten aanzien van de verjaringstermijn kennelijk geen moeilijk te verklaren verschil wenst te maken tussen regres krachtens subrogatie en regres krachtens zelfstandig recht, is de rechtbank van oordeel dat evenmin een verschil gemaakt dient te worden ten aanzien van de vraag of een stuiting door de getroffene tevens werkt ten behoeve van de regresnemer. 2. Causaal verband. De rechtbank gaat van uit dat benadeelde als gevolg van de achterop aanrijding klachten heeft ondervonden die in elk geval enige tijd tot arbeidsongeschiktheid hebben geleid. De rechtbank laat de verzekeraar toe tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen stelling dat het ongevalsletsel is veroorzaakt door de achterop aanrijding.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: werkgeversaansprakelijkheid, vordering werknemer niet verjaard

  • 17 november 2015
  • ECLI:NL:GHAMS:2015:4825
  • 200.168.006/01

Werknemer, medewerker onderhoud en ‘affichage’ van wachthokjes en reclamezuilen, is vanaf 1993 regelmatig uitgevallen wegens rug-, schouder- en nekklachten; vanaf 2008 is hij arbeidsongeschikt. In 2009 heeft hij zijn werkgever aansprakelijk gesteld. Het hof overweegt dat de verjaringstermijn van art 310 lid 1 BW begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde zowel met de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Het hof oordeelt dat niet worden gezegd dat bij werknemer zodanige zekerheid bestond omtrent zijn klachten en het verband tussen deze klachten en zijn werkzaamheden dat hij vóór 2004 in staat was een rechtsvordering in te stellen. Het enkel incidenteel ervaren van min of meer dezelfde klachten die nadien ook weer overgaan is onvoldoende om anders te kunnen oordelen. Daarbij tekent het hof aan dat werkgever zelf heeft gesteld dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de klachten en zijn werkzaamheden. Beroep op verjaring verworpen.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb, deelgeschil: vordering minderjarige (van vóór wetswijziging 2004) verjaard

  • Ongepubl. jurisprudentie, Rechtbank Overijssel
  • 24 november 2015
  • C/08/175906 / HA RK 15-148 (fs)

Verzoeker, destijds 10 jaar oud, is in 2003 van klimrek op school gevallen en daarbij op zijn linker elleboog terecht gekomen. Op röntgenfoto waren geen afwijkingen te zien. In 2004 is verzoeker weer gevallen; een röntgenfoto liet fragmentatie zien, waarschijnlijk letsel van oudere datum. De ouders van verzoeker stellen in 2010 de school aansprakelijk voor de schade. De rechtbank oordeelt dat de schade en de daarvoor (mogelijk) aansprakelijke persoon in 2003 bekend zijn geworden. Verzoeker was op dat moment minderjarig. Op grond van artikel 119b Overgangswet BW is het vijfde lid van artikel 3:310 BW enkel van toepassing op schadeveroorzakende gebeurtenissen vanaf 1 februari 2004. Deze overgangsrechtelijke bepaling staat derhalve aan toepassing van artikel 3:310 lid 5 BW (= aanvang verjaring begint bij meerderjarigheid) in de weg. Nu door de wetgever uitdrukkelijk geen terugwerkende kracht is beoogd, is in de omstandigheid dat verzoeker ten tijde van het ongeval minderjarig was, geen reden gelegen voor het oordeel dat het door verweerster gedane beroep op artikel 199b Overgangswet NBW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: arbeidsongeval, verjaring gestuit door vermelding dagvaarding in voetnoot en reactie daarop

  • Hof Den Bosch
  • 27 oktober 2015
  • ECLI:NL:GHSHE:2015:4343
  • HD 200.161.874_01

Arbeidsongeval in 2005, polsletsel vrachtwagenmonteur. 1. Verjaring gestuit (art. 3:317 lid 1 BW)? Het hof overweegt dat de advocaat van benadeelde in maart 2010 heeft geschreven, dat hij ervan uitgaat dat aansprakelijkheid wordt erkend en in een voetnoot dat – wanneer er geen regeling tot stand komt – er geen andere weg openstaat dan de werkgever in rechte te betrekken. Hierop heeft de advocaat van werkgever verzocht de dagvaarding vooralsnog niet uit te brengen. De opvolgend advocaat van werkgever heeft in augustus 2010
aangegeven dat een eventuele dagvaarding aan haar kantooradres betekend mocht worden.
Gelet op deze feiten en omstandigheden – in onderling verband en samenhang bezien – is het hof van oordeel dat de brief een voldoende duidelijke waarschuwing aan de werkgever inhield dat zij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening er mee moest houden dat zij de beschikking hield over haar gegevens en bewijsmateriaal, opdat zij zich behoorlijk zou kunnen verweren. 2. Geen rechtsverwerking. 3. Het hof draagt werknemer op te bewijzen dat hem een bedrijfsongeval is overkomen ten gevolge waarvan hij letsel heeft opgelopen aan zijn pols.

Lees verder

Jurisprudentie

HR: stuitende werking van een brief is mede afhankelijk van de context

  • Hoge Raad
  • 18 september 2015
  • cassatieblog.nl, Juliette Fluttert
  • ECLI:NL:HR:2015:2741
  • 14/02968

De Hoge Raad oordeelt –in een niet-letselschadezaak- dat bij de beoordeling of een stuitingsmededeling aan de in artikel 3:317 lid 1 BW gestelde eisen voldoet, niet alleen gelet moet worden op de formulering daarvan, maar ook op de context waarin de mededeling wordt gedaan en op de overige omstandigheden van het geval. Bij deze beoordeling kan onder omstandigheden mede betekenis toekomen aan de verdere correspondentie tussen partijen. Het arrest wordt besproken op cassatieblog.nl.

Lees verder