Jurisprudentie

Rb: verjaring niet gestuit door ingetrokken verzoekschrift tot deelgeschil

  • Rechtbank Amsterdam
  • 25 oktober 2017
  • ECLI:NL:RBAMS:2017:8339
  • C/13/618649 / HA ZA 16-1155

In 2005 heeft eiser letsel opgelopen door misslag van collega met hamer op knie. Aansprakelijkheid is erkend. In 2010 heeft de eiser de verjaring uitdrukkelijk gestuit. In 2012 heeft eiser een verzoekschrift ingediend tot het nemen van een beslissing in een deelgeschil. Dit verzoekschrift kwalificeert als een eis als bedoeld in art. 3:316 BW, zodat eiser in beginsel met dit verzoekschrift wederom de verjaring heeft gestuit. Eiser heeft echter dit verzoekschrift in 2015 ingetrokken. O.g.v. art. 3:316 BW lid 2 is in dat geval de verjaring alsnog niet gestuit door het indienen van dit verzoekschrift. Evenmin wordt het verzoekschrift tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht gezien als een stuitingshandeling, als bedoeld in artikel 3:316 BW. 2. De rechtbank oordeelt dat uit neurologische expertise blijkt geen causaal verband blijkt.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: mesothelioom, beroep op verjaring niet in strijd met redelijkheid

  • Rechtbank Midden-Nederland
  • 11 oktober 2017
  • ECLI:NL:RBMNE:2017:4994
  • 5554210

In 2014 is bij eiser (monteur luchtkanalen) mesothelioom vastgesteld; hij heeft in 2014 zijn voormalig werkgever waar hij in periode 1970-1972 heeft gewerkt aansprakelijk gesteld. 1. De kantonrechter oordeelt eiser erin is geslaagd aan te tonen dat hij in de uitoefening van zijn werk voor werkgever [schade heeft geleden. 2. Verjaring. De kantonrechter toetst aan de gezichtspunten van Hoge Raad Van Hese/De Schelde en concludeert dat geen sprake is van zodanig uitzonderlijke omstandigheden dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: vordering verjaard, absolute termijn niet van toepassing

  • Hof Arnhem-Leeuwarden
  • 23 mei 2017
  • ECLI:NL:GHARL:2017:4609
  • 200.180.257

Benadeelde liep letsel op door een gebrekkige gasbuis. Zij ontving het rapport van de Raad voor Transportveiligheid in 2002 waardoor zij op de hoogte was van de aansprakelijke rechtspersoon. In de jaren 2002-2003 al onderhandelde zij over haar letselschade. Zij verkeerde toen in de positie waarop zij zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke bekend was geworden. De aansprakelijkstelling van de netbeheerder in 2012 valt buiten de korte verjaringstermijn. De vordering is daarmee verjaard op de voet van artikel 3:310 lid 1 BW. Daardoor is de absolute verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW noch die van lid 2 in geval van een gebrekkige zaak van toepassing.

Lees verder

Vaknieuws

Een nieuwe episode in de serie ‘overgangsperikelen bij verjaring van verzekeringsvorderingen’

  • PIV-bulletin
  • 1 juni 2017
  • Martine Kos – Bosselaar en Strengers Advocaten

Moet de onmiddellijke werking van het verjaringsregime in het verzekeringsrecht zoals dat in 2006 is ingevoerd, buiten toepassing blijven op de grond dat die onmiddellijke werking onder de naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (op de voet van art. 75 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek)? Na de Hoge Raad[1] heeft het Hof Amsterdam zich in zijn arrest van 14 februari 2017[2] gebogen over deze vraag. Het hof overweegt dat onmiddellijke werking van het verjaringsregime tot een enorme administratieve en financiële last voor de verzekeraar zou leiden en oordeelt op basis daarvan dat de onmiddellijke werking van het nieuwe verjaringsregime inderdaad buiten toepassing moet blijven.

Lees verder

Vaknieuws

PIV-Bulletin 2017-3 De dertigjarige verjaringstermijn (art. 3:310 lid 2 BW) getoetst aan art. 6 EVRM

  • PIV-bulletin
  • 1 juni 2017
  • Laurien Dufour, WIJ advocaten

Inleiding
De Hoge Raad heeft in een arrest van 24 maart 2017 de dertigjarige – absolute – verjaringstermijn van art. 3:310 lid 2 BW opnieuw getoetst aan het door art. 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. Bij de benadeelde was meer dan dertig jaar na afloop van zijn dienstverband met een rederij mesothelioom (asbestkanker) geconstateerd. In het licht van deze lange tijd voordat de ziekte zich openbaarde, had de benadeelde zijn vordering tot vergoeding van zijn schade niet binnen de dertigjarige termijn kunnen instellen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het Nederlandse systeem, waarin een beroep op de dertigjarige verjaringstermijn ter afwering van een vordering tot schadevergoeding van een mesothelioomslachtoffer wordt beoordeeld aan de hand van de zeven gezichtspunten uit het arrest Van Hese/De Schelde, voldoet aan de eisen van art. 6 EVRM.
 
In dit artikel bespreek ik de beslissing van de Hoge Raad, de achtergrond waartegen de beslissing is gewezen en het belang van deze uitspraak voor de schadebehandelingspraktijk. Voor een goed begrip van het arrest en de reikwijdte daarvan, zijn de maatschappelijke achtergrond en de feiten belangrijk, daar begin ik dus mee.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: verzoek om een voorlopig deskundigenbericht door een psychiater vanwege seksueel misbruik toegewezen

  • Rechtbank Gelderland
  • 29 mei 2017
  • ECLI:NL:RBGEL:2017:2870
  • C/05/317275/HA RK 17-65

Benadeelde acht stichting jeugdbescherming aansprakelijk voor schade door seksueel misbruik in een pleeggezin van 1998 t/m 2000 en verzoekt om voorlopig deskundigenbericht door psychiater. Door Schadefonds Geweldsmisdrijven is smartengeld van € 25.000,- toegekend; de overige schade is afgewezen. De stichting stelt dat benadeelde geen belang heeft bij zijn verzoek omdat een eventuele vordering is verjaard. De rechtbank wil niet vooruit lopen op een eventuele procedure. Slechts indien zonder meer duidelijk is dat het beroep op verjaring zal slagen, kan worden geoordeeld dat verzoeker geen belang heeft bij het door hem verzochte onderzoek. Dat causaal verband volgens SJG ontbreekt staat aan toewijzing van het verzoek evenmin in de weg. Het verzoek strekt er juist toe het eventuele bestaan van een verdergaande schadevergoedingsplicht te doen onderzoeken. Verzoek toegewezen.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: bewezen moet worden dat stuiting van verjaring is ontvangen

  • Hof Leeuwarden
  • 4 april 2017
  • ECLI:NL:GHARL:2017:2922
  • 200.174.697

Verjaring wordt door een verklaring daartoe gestuit. Indien de ontvangst daarvan wordt betwist, moet de afzender feiten of omstandigheden stellen en zo nodig bewijzen waaruit volgt dat de verklaring is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, en dat de verklaring aldaar is aangekomen (HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104). Het is niet voldoende dat de afzender de verzending bewijst; hij dient tevens aan te tonen dat zijn bericht ook op dat adres is aangekomen. In dat bewijs is eiser niet geslaagd.

Lees verder

Jurisprudentie

Hoge Raad: verjaringstermijn voor asbestslachtoffers niet in strijd met EVRM

  • Hoge Raad
  • 24 maart 2017
  • ECLI:NL:HR:2017:494
  • 15/05837

De Hoge Raad schets allereerst het verjaringsregime in asbestzaken: een rechtsvordering i.v.m. schade als gevolg van blootstelling aan asbest vóór 1 februari 2004 verjaart ingevolge art. 3:310 lid 2 BW na dertig jaar. In HR 28 april 2000 heeft de Hoge Raad geoordeeld, dat de verjaringstermijn van dertig jaar o.g.v. art. 6:2 lid 2 BW buiten toepassing kan blijven (onder meer) wanneer de schade haar aard verborgen is gebleven en pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken. De Hoge Raad oordeelt nu: “Gelet op de duur van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 2 BW en het met de verjaring beoogde belangrijke doel van de rechtszekerheid, alsmede gelet op de mogelijkheid die verjaring met toepassing van art. 6:2 lid 2 BW buiten toepassing te laten, is sprake van een beperking van het recht op toegang tot de rechter die met art. 6 lid 1 EVRM verenigbaar is. Of toepassing van de verjaringstermijn van dertig jaar na de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, inderdaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, moet met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval worden beoordeeld aan de hand van de in het arrest van 28 april 2000 vermelde gezichtspunten. In dit stelsel hebben mesothelioomslachtoffers die (voor het laatst) vóór 1 februari 2004 aan asbest zijn blootgesteld en bij wie de ziekte zich meer dan dertig jaar na die blootstelling openbaart, niet in algemene zin zekerheid dat zij een aanspraak op schadevergoeding kunnen verwezenlijken. Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval(…). Het arrest van het EHRM in de zaak Howald Moor c.s./Zwitserland geeft geen aanleiding die beperking van het recht op toegang tot de rechter niet langer met art. 6 lid 1 EVRM verenigbaar te achten.”

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: mishandelingen binnen katholieke kerk: beroep op absolute verjaring niet onaanvaardbaar

  • Hof Den Bosch
  • 21 februari 2017
  • ECLI:NL:GHSHE:2017:584
  • 200 178 285_01

Benadeelde heeft in 2010 de Confederatie van de Vlaamse en Nederlandse Provincie van de Congregatie van de Priesters van het Heilig Hart van Jezus aansprakelijk gesteld voor de schade door mishandelingen gedurende zijn verblijf in een jongensinternaat in de periode 1964-1971. Het hof toetst aan de zeven gezichtspunten die de Hoge Raad heeft ontwikkeld in het arrest 28 april 2000 LJN: AA5635 (Van Hese/de Schelde). Niet is komen vast te staan dat sprake is van verborgen schade. Eiser is 20 jaar later in de periode 1990-1993 onder behandeling geweest van een psychiater voor klachten wegens de gebeurtenissen tijdens verblijf in het jongensinternaat.. Hij heeft vervolgens de Congregatie pas in 2010 aansprakelijk gesteld. Op grond de gezichtspunten (a) tot en met (g) uit het arrest Van Hese/De Schelde in onderling verband en samenhang bezien, komt het hof tot de conclusie dat het beroep op verjaring van de Congregatie niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: psychische schade na bankoverval in 1990, vordering verjaard

  • Hof Amsterdam
  • 6 december 2016
  • ECLI:NL:GHAMS:2016:5231
  • 200.178.042/01

Werkneemster stelt bank aansprakelijk voor (psychische) schade na gewapende overval in 1990. Het hof oordeelt dat de vordering is verjaard. Het hof overweegt dat de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW een objectief en in beginsel absoluut karakter heeft. Dat wil niet zeggen dat deze termijn nooit op grond van artikel 6:2 lid 2 BW buiten toepassing zou kunnen blijven. Een zodanig uitzonderlijk geval kan zich voordoen wanneer onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken inderdaad tot schade zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin naar haar aard verborgen is gebleven dat zij daadwerkelijk is ontstaan en dus pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken (HR 24 april 2000, (Van Hese/De Schelde). Hiervan is geen sprake; de schade is niet naar haar aard verborgen gebleven.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: ontploffing woonwagen in 2005, vordering op gemeente verjaard

  • Rechtbank Limburg
  • 8 februari 2017
  • ECLI:NL:RBLIM:2017:1054
  • C/03/223134 / HA ZA 16-406

In 2005 heeft eiseres letsel opgelopen bij een ontploffing bij haar woonwagen op een locatie die zij huurde van de gemeente. In 2006 heeft zij de gemeente per brief laten weten dat zij tevoren had gemeld dat zij en gaslucht rook. Van 2007 tot 2009 heeft een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. In 2016 heeft zij de gemeente aansprakelijk gesteld. De rechtbank stelt voorop dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade ingevolge art. 3:310 lid 1 BW verjaart door verloop van vijf jaar. Zelfs indien er van wordt uitgegaan dat het voorlopig getuigenverhoor stuitende werking zou hebben, dan nóg is de rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaard, nu de vordering pas in 2016 is ingesteld. Bovendien is niet gebleken dat de verjaring, nádat het voorlopig getuigenverhoor was beëindigd, op enige manier is gestuit.

Lees verder

Jurisprudentie

HR: beroep op voorbehoud in vaststellingsovereenkomst, vordering niet verjaard ex art. 3:307 lid 2 BW

  • Hoge Raad
  • 23 december 2016
  • ECLI:NL:HR:2016:2988
  • 15/04241

Tandarts loopt letsel op bij ongeval in 1980. In 1985 wordt de letselschade geregeld in vaststellingsovereenkomst met een voorbehoud voor belangrijke afwijkingen in zijn medische toestand. In 2007 wordt artrose vastgesteld en benadeelde doet een beroep op voorbehoud. Het gaat in dezen om de vraag of de vordering van benadeelde tot nakoming van het voorbehoud in de vaststellingsovereenkomst is verjaard op grond van artikel 3:307 lid 2 BW. Tussen partijen is niet in discussie dat deze vordering een vordering betreft tot nakoming na onbepaalde tijd, zoals bedoeld in artikel 3:307 lid 2 BW. Het hof oordeelde dat de vordering van benadeelde niet is verjaard: op grond van de in de vaststellingsovereenkomst uit 1985 opgenomen opschortende voorwaarde is de twintig jaartermijn van artikel 3:307 lid 2 BW eerst gaan lopen vanaf dag dat benadeelde in 2007 bekend werd met de schade aangezien eerst op dat moment de vordering op zijn vroegst opeisbaar was. De Hoge verwerpt de tegen het oordeel van het hof gerichte klachten en bekrachtigt het arrest van het hof.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: babyverwisseling in 1953; beroep op verjaring niet onaanvaardbaar

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant
  • 6 juli 2016
  • ECLI:NL:RBZWB:2016:4068
  • C/02/308817 / HA ZA 15-808

Benadeelde heeft in 2013 door DNA-onderzoek ontdekt dat hij in 1953 als baby is verwisseld. Hij heeft in 2015 het ziekenhuis aansprakelijk gesteld. De verjaringstermijn van 30 jaar is toepasselijk, zodat deze in 1983 is volgelopen. Benadeelde stelt dat een beroep op de absolute verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (HR 28 april 2000, ECLI:NL: HR:2000:AA56350). De rechtbank stelt voorop dat zij vanuit persoonlijk perspectief van benadeelde alleszins begrijpt dat de uitzonderlijke omstandigheid dat hij ná een periode van 60 jaar ongevraagd geconfronteerd is met het feit dat hij als baby is verwisseld een bijzondere impact heeft op zijn leven. De rechtbank toetst aan de gezichtspunten va het arrest van de Hoge Raad en concludeert dat geen enkel gezichtspunt evident vóór de door benadeelde gewenste doorbreking van de verjaring spreken, behoudens gezichtspunt b. De enkele omstandigheid dat benadeelde ogenschijnlijk geen aanspraak kan maken op schadevergoeding of een uitkering uit andere hoofde is naar het oordeel van de rechtbank echter niet een omstandigheid die dermate zwaar gewicht in de schaal legt, dat dit dient te leiden tot doorbreking van meergenoemde verjaringsregel.

Lees verder

Vaknieuws

PIV-Bulletin 2016-3 1 Overgangsrechtperikelen bij verjaring van verzekeringsvorderingen

  • 1 juli 2016
  • Mevrouw mr. S.P.A. Wensink-Vergunst, Bosselaar Strengers Advocaten
  • ECLI:NL:HR:2015:3618

Annotatie bij Hoge Raad, 18 december 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3618)

Op 1 januari 2006 is bij de invoering van het nieuwe verzekeringsrecht een specifieke bepaling opgenomen ten aanzien van de verjaring van een rechtsvordering tegen een verzekeraar tot het doen van een uitkering. In art. 7:942 BW is de zogenoemde ‘duurstuiting’ geïntroduceerd: nadat schriftelijk aanspraak is gemaakt op uitkering, gaat pas een nieuwe verjaringstermijn lopen nadat de verzekeraar de aanspraak ofwel erkent, ofwel de aanspraak afwijst op de in het artikel voorgeschreven wijze. Laat de verzekeraar dit na of voldoet de afwijzing niet aan de vereisten uit het artikel, dan loopt er in het geheel geen verjaringstermijn.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: OPS, vordering niet verjaard, werkgever aansprakelijk, deskundigenbericht ter vaststelling causaal verband

  • Hof Arnhem-Leeuwarden
  • 8 maart 2016
  • ECLI:NL:GHARL:2016:1788
  • 200.152.499/01

Werknemer, scheepsschilder, stelt dat hij lijdt aan OPS, die is veroorzaakt door (piek)blootstelling aan oplosmiddelen bij de werkgever en stelt de werkgever aansprakelijk. 1. Vordering niet verjaard. Het enkele feit dat omstreeks 2000/2001 vermoedde dat zijn klachten konden samenhangen met zijn werk, houdt naar het oordeel van het hof niet in dat hij daadwerkelijk daarmee bekend was. Het hof oordeelt dat de verjaringstermijn pas is gaan lopen op het moment waarop benadeelde in 2009 bij het Solvent Team bevestiging vond voor zijn vermoeden dat zijn klachten gerelateerd waren aan werk met oplosmiddelen. 2. Het hof komt tot het oordeel dat de werkgever de stelling dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan onvoldoende heeft onderbouwd. 3.Causaal verband. Het hof oordeelt dat er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat de klachten van werknemer (kunnen) zijn veroorzaakt door de (piek)blootstelling gedurende zijn betrekkelijk korte dienstverband bij werkgever. Het hof acht een deskundigenbericht noodzakelijk.

Lees verder