Vaknieuws

NIS-bijeenkomst over herstelgerichte dienstverlening

  • NIS
  • 5 oktober 2017

Op 5 oktober 2017 was de NIS –bijeenkomst geheel geweid aan herstelgerichte dienstverlening. Gastheer was De Letselschadehulpdienst. Prof. Arno Akkermans, advocate Mariken Peters en Lex Stegerhoek en Martin de Haan van De Letselschadehulpdienst gaven een presentatie. De deelnemers gingen daarnaast aan de slag met een paar cases uit de praktijk. De presentaties vindt u op het PIV-Kennisnet.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: geen analoge toepassing art. 185 WVW op ongeval scootmobiel en auto

  • Hof Den Bosch
  • 26 september 2017
  • ECLI:NL:GHSHE:2017:4154
  • 200.197.209_01

Hoger beroep van deelgeschil; ongeval tussen scootmobiel en auto. In deelgeschil heeft de rechtbank geoordeeld dat het aansprakelijkheidsregime van art. 185 WVW niet van overeenkomstige toepassing is op het ongeval. 1. Het hof oordeelt dat de rechtbank in het deelgeschil alleen ten aanzien van dát geschilpunt (analoge toepassing artikel 185 WVW) uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een beslissing genomen en kan alleen dát geschilpunt onderwerp zijn van dit hoger beroep. 2. Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat analoge toepassing van art. 185 WVW niet aan de orde. Art. 185 WVW regelt blijkens de wetsgeschiedenis een bijzondere aansprakelijkheid waartoe het gebruik van motorvoertuigen kan leiden. Gelet op de definitie van motorrijtuigen (waaronder ook een scootmobiel valt) heeft de wetgever dit bijzondere aansprakelijkheidsregime willen beperken tot ongevallen met een motorrijtuig en een fietser of voetganger. 3. Of sprake is van eigen schuld van eiser komt pas aan de orde nadat aansprakelijkheid van gedaagde is komen vast te staan. Hierover heeft de rechtbank nu juist niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist. Dat dient eerst te gebeuren, in de bodemprocedure bij de rechtbank.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: geen bindende eindbeslissing in deelgeschil over materiële rechtsverhouding; hoger beroep niet ontvankelijk

  • Hof Arnhem-Leeuwarden
  • 27 juni 2017
  • ECLI:NL:GHARL:2017:5372
  • 200.163.655

Benadeelde, werkzaam als ZZP-er, loopt in 2009 bij eenzijdig verkeersongeval in auto van het bedrijf van zijn ouders ernstig letsel op. Hij heeft het bedrijf aansprakelijk gesteld op grond van het feit dat geen behoorlijke verzekering was afgesloten voor deelname aan het verkeer (art 7:611 BW). De rechtbank heeft het verzoek afgewezen, omdat nader onderzoek en bewijslevering was, waarvoor de deelgeschilprocedure niet geschikt is en heeft het verzoek afgewezen. Het hof verklaart benadeelde niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen in hoger beroep. Nu de grieven in wezen aanvoeren dat de deelgeschilrechter ten onrechte géén bindende eindbeslissingen heeft genomen, maar zich overigens niet richten tegen in de beschikking als zodanig aan te wijzen bindende eindbeslissingen omtrent de materiële rechtsverhouding, concludeert de rechtbank dat benadeelde niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen in hoger beroep.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: onduidelijkheid over overdracht vordering, eiser niet-ontvankelijk in letselzaak

  • Rechtbank Oost-Brabant
  • 3 mei 2017
  • ECLI:NL:RBOBR:2017:2630
  • C/01/277270 / HA ZA 14-281

In eerder tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat duidelijkheid geboden is over de vraag aan wie de door eiser ingestelde vordering toekomt: aan eiser of aan de Stichting Nagedachtenis X. De rechtbank gaat er op basis van de overgelegde stukken vanuit dat eiser zijn vordering aan de Stichting heeft overgedragen. Eiser beroept zich wel op nietigheid van de cessie of ongeldigheid daarvan maar dat zijn verweren die hij tegen de Stichting zou moeten voeren. De rechtbank verklaart eiser niet ontvankelijk.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: benadeelde niet-ontvankelijk in hoger beroep deelgeschil, want geen bindende eindbeslissing

  • Hof Amsterdam
  • 18 juli 2017
  • ECLI:NL:GHAMS:2017:2953
  • 200.196.551/01

Het hof verklaart benadeelde niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen een deelgeschil. In de deelgeschilprocedure had de kantonrechter het verzoek van benadeelde afgewezen, waarbij hij had overwogen dat er ernstige twijfels waren of het ongeval überhaupt had plaatsgevonden en over de toedracht. Een uitgebreid onderzoek zou moeten worden ingesteld, waarvoor het deelgeschil niet de aangewezen procedure is. Het hof oordeelt dat geen sprake is van een bindende eindbeslissing, die strekt ten nadele van benadeelde (art. 1019cc.3 Rv). Hetgeen de kantonrechter omtrent de toedracht heeft overwogen, komt er immers juist op neer dat nader onderzoek is aangewezen en dat de aard van de deelgeschilprocedure zich daartegen verzet.

Lees verder

Vaknieuws

PIV-Bulletin 2017-3 De dertigjarige verjaringstermijn (art. 3:310 lid 2 BW) getoetst aan art. 6 EVRM

  • PIV-bulletin
  • 1 juni 2017
  • Laurien Dufour, WIJ advocaten

Inleiding
De Hoge Raad heeft in een arrest van 24 maart 2017 de dertigjarige – absolute – verjaringstermijn van art. 3:310 lid 2 BW opnieuw getoetst aan het door art. 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. Bij de benadeelde was meer dan dertig jaar na afloop van zijn dienstverband met een rederij mesothelioom (asbestkanker) geconstateerd. In het licht van deze lange tijd voordat de ziekte zich openbaarde, had de benadeelde zijn vordering tot vergoeding van zijn schade niet binnen de dertigjarige termijn kunnen instellen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het Nederlandse systeem, waarin een beroep op de dertigjarige verjaringstermijn ter afwering van een vordering tot schadevergoeding van een mesothelioomslachtoffer wordt beoordeeld aan de hand van de zeven gezichtspunten uit het arrest Van Hese/De Schelde, voldoet aan de eisen van art. 6 EVRM.
 
In dit artikel bespreek ik de beslissing van de Hoge Raad, de achtergrond waartegen de beslissing is gewezen en het belang van deze uitspraak voor de schadebehandelingspraktijk. Voor een goed begrip van het arrest en de reikwijdte daarvan, zijn de maatschappelijke achtergrond en de feiten belangrijk, daar begin ik dus mee.

Lees verder

Jurisprudentie

HR: bij aansprakelijkheid q.q. voor zoon, pro se belang bij proces

  • Hoge Raad
  • 21 april 2017
  • ECLI:NL:HR:2017:757
  • 16/01604

De destijds veertienjarige zoon van eisers heeft de toen vijftienjarige dochter van verweerster doodgestoken, opgehitst door anderen. De rechtbank achtte de ouders als vertegenwoordiger van de zoon en daarnaast voor zichzelf aansprakelijk. Het hof oordeelde in beroep dat deze geen belang hebben bij het beroep omdat zij hetzij als vertegenwoordiger hetzij voor zichzelf aansprakelijk zijn. Linksom of rechtsom moeten zij betalen terwijl; zij als zij voor zichzelf aansprakelijk zijn dekking vinden op hun AVP-polis. Dat is een onjuiste rechtsopvatting omdat het verzekerd zijn niet met zich meebrengt dat de ouders geen belang hebben. (Door veroordeling als vertegenwoordiger van de zoon heeft de benadeelde een vordering op het vermogen van de dader zelf, niet op dat van de ouders van de dader. Dat is anders als de ouders pro se aansprakelijk zijn).

Lees verder

Rb: smartengeld € 125.000,-; rechtbank in bodemprocedure gehouden aan beslissing in deelgeschil

  • Rechtbank Noord-Nederland
  • 29 maart 2017
  • ECLI:NL:RBNNE:2017:1058
  • C/19/113032 / HA ZA 16-8

Benadeelde heeft bij ongeval hoge dwarslaesie opgelopen en is na drie maanden overleden. In deelgeschil is een smartengeld billijk geacht van € 125.000,-. Verzekeraar spant een bodemprocedure aan en vordert dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat de te smartengeldvergoeding dient te worden begroot op € 25.000,- vanwege de korte duur van het lijden. De rechtbank wijst de vordering af, omdat hij aan de beslissing van de deelgeschilrechter gebonden is, tenzij is gebleken dat deze berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: hoger beroep deelgeschil mogelijk, bewijs van gebrekkige gladde vloer voorshands geleverd

  • Hof Amsterdam
  • 7 februari 2017
  • ECLI:NL:GHAMS:2017:368
  • 200.180.061/01

Hoger beroep deelgeschil. Appellanten hebben beheerder winkelcentrum aansprakelijk gesteld voor val op gladde houten vloer. 1. In de bestreden deelgeschilbeschikking is het deelgeschil niet beslecht, omdat de zaak zich niet leende voor behandeling in deelgeschil. Dit is geen situatie waarvoor art. 1019cc Rv (rechter gebonden aan oordeel deelgeschillenrechter als bij eindbeslissing) is geschreven. Echter, nu de bodemrechter – die tevens de rechter was in het deelgeschil – zelf heeft overwogen dat bepaalde rechtsoverwegingen beschouwd moeten worden als beslissingen als bedoeld in art. 1019cc Rv, moet worden geconcludeerd dat zij zich kennelijk in de bodemprocedure aan deze overwegingen gebonden acht. Om die reden zijn appellaten dan ook ontvankelijk in het hoger beroep. 2. Het hof stelt voorop dat voor het antwoord op de vraag of de beheerder aansprakelijk is voor de gevolgen van de valpartijen niet van doorslaggevende betekenis is of deze aansprakelijkheid gebaseerd is op art. 6:174 BW of art. 6:162 BW. Deze maatstaven komen overeen met de Kelderluikcriteria. Het hof oordeelt dat appellanten o.g.v. de overgelegde rapportage, verklaringen en foto’s voorshands bewezen hebben dat de vloer ten tijde van de valpartijen niet voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden gesteld mochten worden. Tegenbewijs is mogelijk.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: geen deskundigenbericht over gebitsschade in kort geding mogelijk, vordering afgewezen

  • Rechtbank Gelderland
  • 27 december 2016
  • ECLI:NL:RBGEL:2016:6972
  • 311629

Benadeelde vordert in kort geding vergoeding van gebitsschade door mishandeling. De rechtbank oordeelt dat nu vast staat dat gedaagde eiser tegen diens mond heeft geslagen en dat er tanden zijn afgebroken, het causaal verband vaststaat. Dat eiser een slecht gebit had maakt dit niet anders; de gevolgen predispositie van het slachtoffer moeten aan de dader worden toegerekend. De vraag welke schade voor vergoeding door gedaagde in aanmerking komt, kan alleen worden beoordeeld met behulp van een deskundige. Omdat voor benoeming van een deskundige in kort geding geen gelegenheid bestaat, is de vordering niet toewijsbaar.

Lees verder

Vaknieuws

Artikel AV&S: “Achter het stuur in de bus, over het herstel van autonomie”

  • Overige tijdschriften
  • 1 juli 2016
  • Prof. mr. M.A. Loth en L. Stegerhoek
  • AV&S 2016/18, afl. 3.

In dit artikel in AV&S wordt aandacht gevraagd voor de herstelgerichte benadering en de wijze waarop zij in het aansprakelijkheidsrecht past. Allereerst wordt deze benadering gekarakteriseerd aan de hand van
drie beginselen van herstel, te weten het beginsel van herstel van autonomie, het beginsel van integrale hulpverlening, en het beginsel van partnerschap. Voorts wordt onderzocht hoe de gedachte van herstel aansluit bij de doelstellingen van het aansprakelijkheidsrecht. Betoogd wordt dat herstel in de oude toestand niet dient te worden verstaan als herstel in het vermogen van de benadeelde (wat hij of zij heeft),
maar als herstel in de vermogens van de benadeelde (wat hij of zij kan). Dat biedt niet alleen een beter perspectief op de doelstellingen van het aansprakelijkheidsrecht, maar ook op de remedies waarmee die doelstellingen worden gediend.

Lees verder

Vaknieuws

Wetsvoorstel collectieve schadevergoedingsactie naar Tweede Kamer

  • overheid.nl
  • 16 november 2016

Langdurige en kostbare procedures zijn binnenkort verleden tijd, wanneer consumenten of bedrijven de schade van een slecht product of gebrekkige dienstverlening vergoed willen krijgen, aldus de overheid. Representatieve belangenorganisaties kunnen straks voor een groep gedupeerden in één procedure bij de rechter vergoeding van massaschade vorderen.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: dwarsleasie na keizersnede, geen recht benadeelde op inzage in advies van door ziekenhuis ingeschakelde medisch deskundige

  • Hof Amsterdam
  • 13 september 2016
  • ECLI:NL:GHAMS:2016:3739
  • 200.173.424/01

Zes weken na de geboorte blijkt een baby een dwarslaesie te hebben. 1. De ouders stellen dat dat bij de geboorte gebeurd moet zijn, maar slagen niet in het bewijs van die stelling. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank die eerder concludeerde dat er een (proportionele) aansprakelijkheid was. Aansprakelijkheid is niet komen vast te staan. 2. Inzage in medisch advies. Benadeelde vordert ex art 843a Rv inzage in het medisch advies dat het ziekenhuis aan een radioloog had gevraagd. Het hof wijst de vordering af. Het hof stelt voorop dat iedere partij het recht heeft om haar verdediging in vrijheid en beslotenheid voor te bereiden. Dat is een fundamenteel recht dat voortvloeit uit artikel 6 EVRM. Daartoe behoort ook het in vertrouwen raadplegen van deskundigen teneinde de eigen procespositie te kunnen bepalen. Benadeelde heeft aangevoerd dat het ziekenhuis, gelet op de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), inzage niet mag weigeren. Het hof gaat hier niet in mee. Eerder had het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat een de juridische analyse geen persoonsgegeven vormt. In dit geval is geen sprake van een medisch onderzoek, maar van een medische analyse van bestaande gegevens. Evenals de juridische analyse in de uitspraak van het HvJEU, bevat de medische analyse geen informatie die door de belanghebbende zelf gecontroleerd kan worden op de juistheid ervan. Alleen die gegevens worden door de Wbp. Aan de Wbp kan geen verplichting kan worden ontleend om het medisch advies te verstrekken.

Lees verder

Vaknieuws

PIV-Bulletin 2016-4 Collectieve schadevergoedingsactie in zicht

  • PIV-bulletin
  • 1 oktober 2016
  • Prof. mr. A.L.M. Keirse

De roep om een collectieve schadevergoedingsactie wordt luid gehoord en is brandend actueel. Er is een nieuw Nederlands wetsvoorstel in wording dat de afwikkeling van massaschade in een collectieve actie mogelijk maakt. Kort na het ter perse gaan van dit PIV Bulletin heeft de Raad van State naar verwachting advies uitgebracht over dit voorstel. Als alles positief verloopt, zal het wetsvoorstel vervolgens worden ingediend bij de Tweede Kamer en dan ook openbaar worden gemaakt.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb, deelgeschil: rechtbank verklaart zich onbevoegd in zaak van ambtenaar

  • Rechtbank Midden-Nederland
  • 27 juli 2016
  • ECLI:NL:RBMNE:2016:4515
  • C/16/416037 / HA RK 16-104

Verzoeker, ambtenaar, spreekt –nadat hem duidelijk is geworden dat hij als ambtenaar geen beroep kan doen op art 7:658 BW- in deelgeschil gemeente als werkgever op basis van art 6:162 BW. De rechtbank verklaart zich onbevoegd. De rechtbank overweegt dat op 1 juli 2013 de Wet nadeelscompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten in werking is getreden. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is sindsdien de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd om te oordelen over de vergoeding van schade aan een ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet, als die schade is ontstaan in de relatie tussen de ambtenaar en het overheidslichaam. Een keuzemogelijkheid tussen de civiele rechter en de bestuursrechter is hiermee komen te vervallen.

Lees verder