Vaknieuws

PIV-Bulletin 2017-1 Wat is redelijk in het kader van buitengerechtelijke kosten?

  • PIV-bulletin
  • 1 februari 2017
  • mr. J.R. Meelker en mr. I.K. Verhoeks, Marree & Dijxhoorn Advocaten

Wat is “redelijk”? De Van Dale zegt het volgende hierover [1]:
“ 1. Met rede begaafd;= verstandelijk 2. Rechtvaardig, billijk: dat zijn redelijke voorstellen 3. Tamelijk: redelijk goed 4. Tamelijk groot, tamelijk goed enz.: een redelijk inkomen” In de juridische verhouding tussen aansprakelijk gestelde partij en de benadeelde partij zal naar onze mening de tweede definitie aan de orde zijn, hoewel cynici zullen opmerken dat de vierde definitie ook toepasselijk is in veel gevallen.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: beroep op aansprakelijkheidslimiet van € 137.000,- onaanvaardbaar voor zover geen rekening is gehouden met inflatiecorrectie

  • Hof Den Haag
  • 30 augustus 2016
  • ECLI:NL:GHDHA:2016:2510
  • 200.126.923-01

Benadeelde loopt in 2007 ernstig letsel op als tijdens een tocht met een zeilboot de giek afbreekt en op hem terecht komt. De verzekeraar heeft aan benadeelde € 137.000,- betaald, zijnde de aansprakelijkheidslimiet van art. 8:983 BW, die van toepassing is op personenvervoer over binnenwateren. 1. Het hof overweegt dat de aansprakelijkheidslimiet internationaal ter discussie staat en dat het aanpassen ervan in het domein van de wetgever ligt. Het hof oordeelt dat het feit dat de hoogte van de aansprakelijkheidslimiet van € 137.000,- in de loop der jaren ruimschoots is achterhaald door het ontbreken van (minimaal) enige inflatiecorrectie, terwijl andere aansprakelijkheidslimieten binnen het vervoersrecht wel zijn verhoogd, alsmede het ernstige letsel van benadeelde er geen sprake is van een “fair balance” tussen het algemeen belang bij het handhaven van deze limiet enerzijds en de bescherming van de individuele rechten van benadeelde anderzijds. Dit is geen reden om de limiet geheel terzijde te stellen; geen anticipatie op CLNI-verdrag 2012. Het hof is van oordeel dat het beroep op de limiet van € 137.000,- slechts naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is voor zover de verzekeraar bij de toepassing van deze limiet geen rekening houdt met een aanpassing van dit bedrag aan de inflatiecorrectie per 2007. Het hof komt na aanpassing van het bedrag op basis van gegevens van CBS uit op een bedrag van € 198.787,-. 2. Peildatum wettelijke rente.

Lees verder

Vaknieuws

Hoge Raad schept duidelijkheid over ‘subrogatie in zieligheid’

  • PIV-bulletin
  • 1 november 2015
  • Mevrouw mr. M.A. Gregoor & mr. A.N.L. de Hoogh KBS Advocaten N.V.
  • ECLI:NL:HR:2015:1873

In deze bijdrage bespreken wij de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juli 2015, waarin de vraag centraal stond of en in hoeverre de billijkheidscorrectie van art. 6:101 BW doorwerkt in de regresverhouding tussen verzekeraars. Dit naar aanleiding van de verhaalsactie van zorgverzekeraar Menzis op Achmea (als WAM-verzekeraar).

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: garage bekend met gevaar wit asbest, beroep op verjaring onaanvaardbaar

  • Rechtbank Rotterdam
  • 17 juli 2015
  • ECLI:NL:RBROT:2015:5084
  • 3519752 CV EXPL 14-50268

De automonteur is in de garage na 1965 aan asbest blootgesteld aan de gevolgen waarvan hij na aansprakelijkstelling van de werkgever is overleden. De gemeente is mogelijk mede aansprakelijk door het opleggen van een verplichting in zijn woning asbesthoudend materiaal aan te brengen. Dat vermindert de aansprakelijkheid van de werkgever door art. 6:99 BW niet. Het verweer dat het gevaar van het gebruik van wit asbest niet bekend was baat de werkgever niet. Nooit is aangetoond dat wit asbest (chrysotiel) ongevaarlijk was, terwijl al vanaf het begin van de twintigste eeuw door wetenschappelijk onderzoekers is vastgesteld dat zowel wit, blauw als bruin asbest gevaarlijk was en tot gezondheidsschade kon leiden. Door geen maatregelen ter voorkoming van schade te nemen is de kans dat de werknemer een tot een mesothelioom leidend asbestkristal zou binnenkrijgen, in aanmerkelijke mate verhoogd (HR 25 juni 1993, LJN: AD1907). Voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van artikel 7:658 BW geldt de verjaringstermijn van 30 jaren als bedoeld in artikel 3:310 lid 2 BW (HR 2 oktober 1998, LJN: ZC2720). Deze termijn begint te lopen na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, in dit geval de laatste blootstelling aan asbest. In 1979 was de laatste blootstelling aan asbest. De verjaring was voltooid in 2009. Aan de hand van de zeven gezichtspunten die de Hoge Raad heeft ontwikkeld in het arrest 28 april 2000 (Van Hese/De Schelde; LJN: AA5635) komt de kantonrechter tot het oordeel dat een beroep op verjaring onaanvaardbaar is op grond van redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter sluit aan bij het normbedrag voor smartengeld dat het Instituut Asbestslachtoffers IAS hanteert voor slachtoffers van mesothelioom.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: blootstelling aan asbest ná 1979 niet bewezen, voor periode vóór 1979 beroep op verjaring niet onaanvaardbaar

  • Hof Den Bosch
  • 27 mei 2014
  • ongepubliceerd
  • HD 200.110.667/02

Asbest. Bij tussenarrest heeft het hof aan appellante (weduwe/erfgename) opgedragen te bewijzen dat de overleden werknemer tijdens zijn werkzaamheden bij werkgever na 1979 blootgesteld is geweest aan asbest. Het hof oordeelt dat appellante niet is geslaagd in bewijslevering; slechts één getuige heeft een verklaring heeft afgelegd over de periode na 1979. Deze verklaring is echter te vaag en innerlijk tegenstrijdig. Ten aanzien van de periode vóór 1979 komt het hof aan de hand van de gezichtspuntencatalogus, ontleend aan HR 28 april 2000 (Van Hese/De Schelde), tot het oordeel dat het beroep van de werkgever op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Alle gezichtspunten, behalve gezichtspunt g, vallen in meer of mindere mate in het voordeel uit van werkgever.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb, deelgeschil: ziekenhuis aansprakelijk voor schade wegens terugvorderen bijstandsuitkering

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant
  • 16 april 2014
  • ECLI:NL:RBZWB:2014:4520
  • CIV_273487_

In het deelgeschil is de vraag aan de orde of sprake is van schade die door het aansprakelijke ziekenhuis moet worden vergoed als verzoekster haar WWb-uitkering verliest vanwege de door haar ontvangen schadevergoeding. 1. De rechtbank oordeelt dat de zaak zich leent voor een deelgeschilprocedure. De gemeente is weliswaar nog niet overgegaan tot terugvordering van de WWb-uitkering, maar de rechtbank acht de kans dat zij daartoe wel zal overgaan aanzienlijk, nu zulks ook strookt met de regelgeving op dit gebied. 2. De rechtbank is van oordeel dat indien verzoekster haar aanspraak op een WWb-uitkering (deels) verliest, zulks dient te worden aangemerkt als schade en dat die schade voor vergoeding door het ziekenhuis in aanmerking komt. Zij overweegt daartoe dat het gaat om het wegvallen van een uitkering, die is bedoeld om daarmee te voorzien in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud. Nu bij het wegvallen van de WWb-uitkering een bron voor het betalen van de dagelijkse kosten van levensonderhoud wegvalt zonder dat daarvoor een compensatie wordt betaald, moet dat wegvallen van de uitkering als schade worden gezien. De schade dient aan het ziekenhuis te worden toegerekend. Er is sprake van overtreding van een veiligheidsnorm, hetgeen ruime toerekening rechtvaardigt. 3. BGK: uurtarief € 200,- redelijk. 4. Kosten deelgeschil: € 3942,24.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb, deelgeschil: AOV-uitkering zzp’er (sommenverzekering) mag niet verrekend worden met de schade

  • Rechtbank Rotterdam
  • 6 januari 2014
  • ECLI:NL:RBROT:2014:167
  • KTN-2366880

Zzp’er raakt arbeidsongeschikt door arbeidsongeval. Mag arbeidsongeschiktheidsuitkering worden verrekend met de schade? Toepassing art. 6:100 BW (voordeelverrekening). De kantonrechter toetst aan de zes gezichtspunten van HR 1 oktober 2010 (LJN BM 7808, JA 2010, 155). De kantonrechter oordeelt dat de AOV strekt tot dezelfde schade te vergoeden als waarvoor veroorzaker aansprakelijk is. Hij stelt vast dat sprake is van een sommenverzekering: de hoogte van de uitkering is afhankelijk van een tevoren vastgestelde verzekerde som en niet van het laatstelijk verdiende inkomen. Er is geen correctiebepaling opgenomen ingeval er geen sprake (meer) is van schade. De kantonrechter oordeelt voorst dat verrekening van AOV-uitkeringen in beginsel niet in overeenstemming met de redelijkheid is, nu de aansprakelijke partij een aansprakelijkheidsverzekering heeft (gezichtspunt e).

Lees verder