Jurisprudentie

HR: beroep op voorbehoud in vaststellingsovereenkomst, vordering niet verjaard ex art. 3:307 lid 2 BW

  • Hoge Raad
  • 23 december 2016
  • ECLI:NL:HR:2016:2988
  • 15/04241

Tandarts loopt letsel op bij ongeval in 1980. In 1985 wordt de letselschade geregeld in vaststellingsovereenkomst met een voorbehoud voor belangrijke afwijkingen in zijn medische toestand. In 2007 wordt artrose vastgesteld en benadeelde doet een beroep op voorbehoud. Het gaat in dezen om de vraag of de vordering van benadeelde tot nakoming van het voorbehoud in de vaststellingsovereenkomst is verjaard op grond van artikel 3:307 lid 2 BW. Tussen partijen is niet in discussie dat deze vordering een vordering betreft tot nakoming na onbepaalde tijd, zoals bedoeld in artikel 3:307 lid 2 BW. Het hof oordeelde dat de vordering van benadeelde niet is verjaard: op grond van de in de vaststellingsovereenkomst uit 1985 opgenomen opschortende voorwaarde is de twintig jaartermijn van artikel 3:307 lid 2 BW eerst gaan lopen vanaf dag dat benadeelde in 2007 bekend werd met de schade aangezien eerst op dat moment de vordering op zijn vroegst opeisbaar was. De Hoge verwerpt de tegen het oordeel van het hof gerichte klachten en bekrachtigt het arrest van het hof.

Lees verder

Vaknieuws

PIV-Bulletin 2017-1 Hoge Raad 23 december 2016: een voorbehoud van behoorlijk lange duur.

  • PIV-bulletin
  • 1 februari 2017
  • Brenda Fluit – WIJ Advocaten
  • ECLI:NL:HR:2016:2988

De Hoge Raad heeft op 23 december vorig jaar[1] een arrest gewezen met als uitkomst dat aan een benadeelde drieëntwintig jaar na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst nog een beroep toekwam op een in deze overeenkomst gemaakt voorbehoud. Ik zal deze uitspraak kort bespreken en het belang van deze uitspraak voor de letselschadepraktijk toelichten.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb, deelgeschil: geen verrekening bespaarde kosten levensonderhoud met verlies van arbeidsvermogen; voorbehoud voor nadelige wetswijzingen IVA en AWBZ (Wlz) afgewezen

  • 19 augustus 2015
  • 4064199 OV VERZ 15-66
  • ECLI:NL:RBLIM:2015:7065

Benadeelde verblijft als gevolg van ongeval in verpleeghuis; hij is geen eigen bijdrage AWBZ verschuldigd, omdat sprake is van arbeidsongeval. 1. Geen verrekening ex art 6:100 BW van bespaarde kosten van levensonderhoud (wegens verpleging in verpleeghuis) met schade wegens verlies aan verdienvermogen; de kantonrechter is van oordeel dat er een te ver verwijderd verband is om de bespaarde kosten van levensonderhoud te verrekenen met schadepost wegens verlies aan verdienvermogen. 2. Voorbehouden in vaststellingsovereenkomst (namelijk met voorbehoud dat IVA-uitkering ongewijzigd blijft en dat verzekeraar negatieve gevolgen van een wijziging in de AWBZ (Wlz) vergoedt) afgewezen. De kantonrechter overweegt dat partijen nog in onderhandeling zijn over de schadevergoeding. Het is aan partijen zelf om te bepalen of en hoe zij in het kader van hun onderhandelingen toekomstige onzekere schade vergoeden. De wet verplicht niet dat deze schade moet worden vergoed op de wijze zoals door verzoeker verzocht. 3. Kosten deelgeschil: € 3.439,20.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: voorbehoud artrose, 20-jarige verjaringstermijn gaat lopen op moment bekendheid schade

  • Hof Den Bosch
  • 9 juni 2015
  • ECLI:NL:GHSHE:2015:2085

Tandheelkundestudent heeft in 1980 knieletsel opgelopen; in 1985 is schade geregeld d.m.v. vaststellingsovereenkomst met voorbehoud voor artrose. In 2008 raakt hij gedeeltelijk arbeidsongeschikt als tandarts en doet hij beroep op voorbehoud. Verzekeraar stelt dat de vordering is verjaard op grond van de twintig jaarstermijn van art 3:307 lid 2 BW. Het hof oordeelt dat de vordering niet is verjaard. Benadeelde heeft terecht gesteld, dat het voorbehoud niet in de overeenkomst is opgenomen omdat de huidige klachten al in 1985 werden verwacht, maar juist om het risico op onverwachte klachten in de toekomst af te dekken. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de (mogelijke) vervulling van de voorwaarde bepalend is voor de aanvang van de twintig jaarstermijn van de verjaring van art. 3:307 lid 2 BW. Op grond van de vaststellingsovereenkomst en het daarin opgenomen voorbehoud is de twintig jaarstermijn eerst gaan lopen vanaf de dag dat benadeelde in 2007 bekend werd met de schade. Eerst op dat moment was de vordering voor benadeelde “op zijn vroegst opeisbaar”. Het hof oordeelt vervolgens dat benadeelde op grond van het rapport van orthopedisch chirurg tezamen met de overige overgelegde medische informatie heeft bewezen dat aan het voorbehoud uit vaststellingsovereenkomst is voldaan.

Lees verder