Jurisprudentie

Rb: ziekenhuis niet aansprakelijk voor gebruikt ongeschikte PIP-implantaten

  • Rechtbank Oost-Brabant
  • 22 november 2017
  • ECLI:NL:RBOBR:2017:6091
  • C/01/311082 / HA ZA 16-515

Eiseres heeft in 1984 een borstvergrotingsingreep door middel van PIP-implantaten ondergaan bij het aansprakelijk gestelde ziekenhuis. De ongeschiktheid van de PIP-implantaten staat vast. PIP heeft fraude gepleegd met de vulling van de implantaten. De hoofdregel van artikel 6:77 BW houdt in dat de door het gebruik van een ongeschikte hulpzaak ontstane tekortkoming wordt toegerekend aan de schuldenaar. Dit is anders indien dit onredelijk zou zijn. De bewijslast rust op het ziekenhuis. Dat het ziekenhuis de gebreken niet kende noch behoorde te kennen betreft een zwaarwegende omstandigheid die pleit tegen toerekening. De rechtbank oordeelt, evenals eerder de rechtbank Amsterdam, dat de uitzonderlijkheid van de onderhavige situatie waarbij doelbewust met de protheses is gefraudeerd, een omstandigheid is die te meer maakt dat toepasselijkheid van de uitzondering van artikel 6:77 BW voor de hand ligt. De rechtbank oordeelt dat het niet redelijk is om de tekortkoming toe te rekenen aan het ziekenhuis en acht het ziekenhuis niet aansprakelijk.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: vordering verjaard, absolute termijn niet van toepassing

  • Hof Arnhem-Leeuwarden
  • 23 mei 2017
  • ECLI:NL:GHARL:2017:4609
  • 200.180.257

Benadeelde liep letsel op door een gebrekkige gasbuis. Zij ontving het rapport van de Raad voor Transportveiligheid in 2002 waardoor zij op de hoogte was van de aansprakelijke rechtspersoon. In de jaren 2002-2003 al onderhandelde zij over haar letselschade. Zij verkeerde toen in de positie waarop zij zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke bekend was geworden. De aansprakelijkstelling van de netbeheerder in 2012 valt buiten de korte verjaringstermijn. De vordering is daarmee verjaard op de voet van artikel 3:310 lid 1 BW. Daardoor is de absolute verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW noch die van lid 2 in geval van een gebrekkige zaak van toepassing.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: ziekenhuis niet aansprakelijk voor gebruik gebrekkige PIP-borstimplantaten (1)

  • Rechtbank Amsterdam
  • 24 mei 2017
  • ECLI:NL:RBAMS:2017:3491
  • C/13/608373 / HA ZA 16-510

In 1999 heeft benadeelde borstvergrotende operatie ondergaan waarbij PIP-borstimplantaten zijn gebruikt. 1. De rechtbank overweegt dat de hoofdregel van art. 6:77 BW houdt in dat de door het gebruik van een ongeschikte hulpzaak ontstane tekortkoming wordt toegerekend aan de schuldenaar, tenzij dit onredelijk zou zijn. Een hulpverlener mag er in beginsel op vertrouwen dat het met een CE-keurmerk gecertificeerde hulpmiddel bewezen veilig is. De omstandigheid dat een hulpzaak is voorzien van een CE-keurmerk, vormt een argument dat pleit tegen toerekening van een gebrek aan de hulpzaak aan de hulpverlener. De arts kón niet vaststellen dat de hulpzaak gebrekkig was. 2. Informed consent aangenomen.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: ziekenhuis niet aansprakelijk voor gebruik gebrekkige PIP-borstimplantaten (2)

  • Rechtbank Limburg
  • 31 mei 2017
  • ECLI:NL:RBLIM:2017:4981
  • C/03/224122 / HA ZA 16-452

PIP-borstimplantaten. Aansprakelijkheid voor gebrekkige hulpzaken (artikel 6:77 BW). De rechtbank acht, daargelaten of de gebruikte implantaten de door eiseres gestelde gebreken hebben en of deze de door eiseres gestelde gezondheidsklachten hebben veroorzaakt, het ziekenhuis niet aansprakelijk voor het gebruik van de PIP-borstimplantaten. Naar het oordeel van de rechtbank zou het onredelijk zijn de beweerde gebrekkigheid aan het ziekenhuis toe te rekenen.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: verzoek om prejudiciële vraag aan Hoge Raad over PIP-implantaten afgewezen

  • Rechtbank Oost-Brabant
  • 4 januari 2017
  • ECLI:NL:RBOBR:2017:42
  • C/01/311082 / HA ZA 16-515

Benadeelde heeft het ziekenhuis aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft opgelopen door PIP-implantaten. Zij wil een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voorleggen, nl.: ‘Kan de zorgverlener (in casu het ziekenhuis) aansprakelijk worden gehouden voor het gebruik van gebrekkige hulpzaken?’ De rechtbank wijst het verzoek af. De rechtbank oordeelt dat deze algemene vraagstelling zoals voorgelegd niet kan bijdragen aan een beslissing op de eis van benadeelde.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: geen gebrek aan ladder van sluis, geen verplichting tot maatregelen

  • Rechtbank Overijssel
  • 13 juli 2016
  • ECLI:NL:RBOVE:2016:4630
  • C/08/174012 / HA ZA 15-366

De duim van de benadeelde scheurde gedeeltelijk af doordat een ladder in een sluis verschoof. De loodzware ladder kon niet handmatig en zonder extra externe kracht verschoven worden. Volgens sluiswachters schoof de ladder vermoedelijk doordat met de boot van benadeelde gas werd gegeven en in de tegenovergestelde richting is gevaren dan de bedoeling was. Mogelijk is door de trekkracht van een andere boot de ladder verschoven. In ieder geval moet het ervoor worden gehouden dat de ladder is verschoven door de uitoefening van extra externe kracht. Bij gebreke aan een onderzoek naar de ladder neemt de rechtbank aan dat deze geen gebrek kende. Gesteld noch gebleken is dat de bezitter van de ladder op de hoogte was of had moeten zijn van de mogelijkheid van verschuiven. Geen andere ongevallen over 60 jaar zijn bekend. De bezitter was niet gehouden was tot het nemen van veiligheidsmaatregelen.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: ongeval tijdens gymles niet geschikt voor deelgeschil vanwege noodzaak bewijslevering

  • Rechtbank Gelderland
  • 7 juli 2015
  • ECLI:NL:RBGEL:2015:8273
  • 279126

Benadeelde – in opleiding tot basisschoollerares – loopt letsel op bij radslagoefening tijdens gymles, doordat zij op de rand van een verschoven turnmatje terecht is gekomen. Zij acht de school aansprakelijk. Zij stelt o.a. dat docent onvoldoende instructie heeft gegeven, dat turnmatjes ondeugdelijk waren bevestigd en turnmatjes ondeugdelijk waren. 1. De rechtbank oordeelt dat het aankomt op bewijslevering en dat niet tot een beslissing op het verzoek worden gekomen zonder bewijsopdracht en het horen van getuigen. De met dergelijke instructie gepaard gaande tijd en moeite staan naar het oordeel van de rechtbank niet in verhouding tot de kans dat een vaststellingsovereenkomst tot stand zal komen. Verzoek afgewezen. 2. Kosten deelgeschil begroot op € 5.561,12; uurtarief € 225,- ex BTW.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: ziekenhuis en arts niet aansprakelijk voor schade door heupprotheses

  • Rechtbank Rotterdam
  • 19 augustus 2015
  • ECLI:NL:RBROT:2015:6179
  • C/10/461497 /HAZA 14-1051

Benadeelde stelt ziekenhuis en orthopedisch chirurg aansprakelijk voor de schade ais gevolg van de implantatie van heupprothesen (MoM-prothesen) in 2004. Vanaf 2011 heeft de Nederlandse Orthopaedische Vereniging geadviseerd om uit oogpunt van patiënt veiligheid de protheses alleen onder voorwaarden te gebruiken. De rechtbank stelt niet vast dat dat de protheses gebrekkig zijn. De rechtbank concludeert vervolgens dat, – indien dat anders zou zijn- een toerekening krachtens art. 6:77 BW aan de arts of ziekenhuis niet op z’n plaats is.

Lees verder

Vaknieuws

De (on)redelijkheid van het toerekenen van de gebrekkigheid van een medische hulpzaak aan de arts of het ziekenhuis ex art. 6:77 BW

  • PIV-bulletin
  • 1 mei 2015
  • Mevrouw mr. M.S.E. van Beurden – Van Benthem & Keulen
  • ECLI:NL:GHSHE:2014:4936

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 25 november 2014 Risicoaansprakelijkheid geneeskundige behandelingsovereenkomst 
Vaste lijn in de rechtspraak bij het gebruik van medische hulpzaken in de uitvoering van een geneeskundige behandelingsovereenkomst is dat – wanneer een hulpmiddel op een later moment gebrekkig blijkt te zijn – het niet redelijk is om deze tekortkoming aan de arts of het ziekenhuis op grond van art. 6:77 BW toe te rekenen.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: Beautycenter niet aansprakelijk voor brandwonden na bezoek zonnebank

  • Rechtbank Amsterdam
  • ECLI:NL:RBAMS:2015:2073
  • C-13-572039 - HA ZA 14-879

Benadeelde stelt dat zij na bezoek aan zonnebank brandwonden heeft opgelopen. Zij stelt het Beautycenter aansprakelijk. Het Beautycenter heeft de zonnebank laten onderzoeken en stelt dat de zonnebank maximaal 0,33 Watt per vierkante meter aan straling geeft, wat niet voldoende is om het letsel veroorzaakt te kunnen hebben. Door benadeelde is dit niet betwist. De rechtbank gaat uit van de gestelde feiten en oordeelt dat de oorzaak van het letsel niet is komen vast te staan. Mede omdat Beautycenter onderzoek heeft laten doen naar de zonnebank, ziet de rechtbank geen reden om de bewijslast om te keren. Vordering afgewezen.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: gehoorbeschadiging door besmet water zwembad? Geen beroep op omkeringsregel

  • ECLI:NL:GHARL:2015:2353
  • 200.137.691-01

Ouders stellen eigenaar van binnenzwembad op camping aansprakelijk voor gehoorbeschadiging van zoon door besmetting met de PA-bacterie in zwemwater in 2003. De rechtbank had ouders toegelaten tot bewijslevering door middel van een deskundigenbericht; hiertegen hebben de ouders hoger beroep ingesteld. 1. Het hof oordeelt dat art. 6:175 BW (risicoaansprakelijkheid voor gevaarlijke stof) niet van toepassing is. 2. Voor aansprakelijkheid ex art. 6:173/6:174 BW is vereist: a. dat doofheid zoon het gevolg van een besmetting met de PA-bacterie; b. dat zoon besmetting heeft opgelopen in het binnenzwembad; c. dat de PA-bacterie in zwembad aanwezig was en d. dat eigenaar is tekortgeschoten in op haar rustende zorgplicht, en/of is risicoaansprakelijk vanwege een gebrek in het filter aanwezig is; e. de aanwezigheid van de PA-bacterie is het gevolg van de schending van de zorgplicht en/of het gebrek in het filter. Het hof overweegt dat het feit dat de normhoeveelheid bacteriën werd overschreden, nog niet betekent dat de PA-bacterie aanwezig was.
Het hof komt tot de slotsom dat er op basis van de beschikbare gegevens niet van kan worden uitgegaan dat op 12 juni 2003 de PA-bacterie aanwezig was. Het beroep van appellanten op toepassing van de omkeringsregel faalt dan ook. Dat betekent dat het door de rechtbank bevolen deskundigenonderzoek noodzakelijk is.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: bezitter rolstoel niet aansprakelijk ex art 6:173 BW voor hand tussen de spaken

  • Hof Amsterdam
  • ECLI:NL:GHAMS:2013:4656
  • 200.093.974-01

Benadeelde heeft via de gemeente rolstoel in bruikleen van geïntimeerde. Tijdens het gebruik van de rolstoel komt de hoepelhoes van het linkerwiel los en komt de hand van benadeelde tussen de spaken. De hoepelhoes was vier weken daarvoor vervangen. Het hof oordeelt dat geïntimeerde als bezitter niet aansprakelijk is ex art 6:173 BW (gebrekkige zaak) . Uit het feit dat de vorige hoepelhoezen aan de wielen van de rolstoel van waren vastgeplakt volgt immers niet zonder meer dat geïntimeerde onrechtmatig jegens benadeelde heeft gehandeld door ze niet vast te plakken. Het hof oordeelt voorts dat niet valt in te zien waarom een rolstoel met radiaal gespaakte wielen niet voldoet aan de eisen die men daaraan mag stellen.

Lees verder

Vaknieuws

De aansprakelijkheid voor de gebrekkige hulpzaak in het licht van de geneeskundige behandelingsovereenkomst

  • PIV-bulletin
  • 21 juni 2013
  • Mr. A.E. Santen

De aansprakelijkheid voor de gebrekkige hulpzaak in het licht van de geneeskundige behandelingsovereenkomst   Mr. A.E. Santen CentraMed Er is veel aandacht voor – verondersteld – gebrekkige implantaten en medische hulpmiddelen. Er was en is een hoop te doen omtrent de borstimplantaten van de Franse producent PIP, en zo hebben ook de Metaal-Op-Metaal-heupen (MOM-heupen) de […]

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: geen aansprakelijkheid school en eigenaar na val van klimtoren

  • Rechtbank Den Bosch
  • BZ6844
  • 246444 / HA ZA 12-407

Benadeelde valt tijdens verplichte sportdag op school (ROC) van opblaasbare klimtoren en loopt knieletsel op. Zij stelt de eigenaar van de klimtoren en de school aansprakelijk. De rechtbank overweegt dat het feit dat een activiteit op hoogte plaatsvindt, niet hoeft niet te betekenen dat deze gevaarlijk is. Dat hangt af van de vraag of het juiste materiaal wordt gebruikt en of er voldoende veiligheidsmaatregelen zijn genomen. Gedaagden hebben gemotiveerd uiteen gezet dat de klimtoren met valbeveiliging juist geschikt is voor onervaren mensen, dat extra beveiligingsmateriaal niet nodig is en dat er nooit ongelukken mee gebeuren. De rechtbank concludeert dat van een gebrekkige zaak in de zin van art. 6:173 BW geen sprake is. Evenmin is sprake van gevaarzettend handelen.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: eigen BV aansprakelijk voor letselschade van directeur/enig aandeelhouder van BV (parallel Hangmatzaak)

  • Rechtbank Zutphen
  • BX7229
  • 126109 / HA ZA 11-89

Benadeelde, directeur en enig aandeelhouder van BV, loopt zwaar letsel op als de heftruck van de BV spontaan achteruit rijdt. Hij stelt zijn eigen BV aansprakelijk ex art 6:173 BW (gebrekkige zaak) jo 6:181 BW risicoaansprakelijk voor zijn letselschade. De rechtbank acht de BV aansprakelijk. Verweer dat benadeelde
geen beroep toekomt op art. 6:173 BW, omdat hij op grond van de vennootschappelijke verhouding tussen de BV en hemzelf zelf als bezitter moet worden aangemerkt, zodat hij in feite zichzelf aansprakelijk stelt, verworpen. Verweer dat het beschermingsbereik van art. 6:173 BW ziet op belangen van derden, zodat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste van 6:163 BW verworpen. De rechtbank kwalificeert benadeelde als derde t.o.v. de BV; parallel met Hangmatzaak. Consequentie dat hierdoor verschil ontstaat tussen eenmanszaak en BV maakt dit niet anders. (NB: er is hoger beroep ingesteld.) (vervolg)

Lees verder