• Jurisprudentie
  • Bron: Hoge Raad
  • 21 april 2017
  • ECLI:NL:HR:2017:757
  • Zaaknummer: 16/01604

HR: bij aansprakelijkheid q.q. voor zoon, pro se belang bij proces

De destijds veertienjarige zoon van eisers heeft de toen vijftienjarige dochter van verweerster doodgestoken, opgehitst door anderen. De rechtbank achtte de ouders als vertegenwoordiger van de zoon en daarnaast voor zichzelf aansprakelijk. Het hof oordeelde in beroep dat deze geen belang hebben bij het beroep omdat zij hetzij als vertegenwoordiger hetzij voor zichzelf aansprakelijk zijn. Linksom of rechtsom moeten zij betalen terwijl; zij als zij voor zichzelf aansprakelijk zijn dekking vinden op hun AVP-polis. Dat is een onjuiste rechtsopvatting omdat het verzekerd zijn niet met zich meebrengt dat de ouders geen belang hebben. (Door veroordeling als vertegenwoordiger van de zoon heeft de benadeelde een vordering op het vermogen van de dader zelf, niet op dat van de ouders van de dader. Dat is anders als de ouders pro se aansprakelijk zijn).

Instantie Hoge Raad

Datum uitspraak 21-04-2017

Datum publicatie 21-04-2017

Zaaknummer 16/01604

Formele relaties Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:47,  Gevolgd

In cassatie op :  ECLI:NL:GHARL:2015:9813, Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Cassatie

Inhoudsindicatie Onrechtmatige daad. Aansprakelijkheid ouders voor onrechtmatige gedraging 14-jarige zoon; art. 6:169 lid 2 BW. Ontvankelijkheid ouders in hoger beroep; gebrek aan belang vanwege aansprakelijkheid als wettelijke vertegenwoordigers van hun zoon?

Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Uitspraak 21 april 2017

Eerste Kamer

16/01604

TT/LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiser 1] ,

2. [eiseres 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer,

t e g e n

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en [verweerster] .

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak C/05/246712 / HA ZA 13-471 van de rechtbank Gelderland van 13 november 2013 en 29 januari 2014;

b. de arresten in de zaak 200.150.833 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 september 2014 en 22 december 2015. De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 22 december 2015 hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld.

De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor [verweerster] toegelicht door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot vernietiging van het arrest en tot verwijzing.

De advocaat van [verweerster] heeft bij brief van 17 februari 2017 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie [eiser] van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 14 januari 2012 is de dochter van [verweerster] in haar woning aangevallen en neergestoken door de zoon van [eiser] c.s. Enkele dagen later is zij als gevolg daarvan overleden.

(ii) De zoon van [eiser] c.s. is wegens moord veroordeeld.

Hij was tot de moord aangezet door een vriend en een vriendin; zij zijn veroordeeld voor het medeplegen van het opzettelijk uitlokken van de moord.

3.2.1 [verweerster] heeft, voor zover in cassatie van belang, [eiser] c.s. gedagvaard, zowel in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige zoon (kort gezegd: q.q.) als op de voet van art. 6:169 lid 2 BW (kort gezegd: pro se). Zij heeft onder meer vergoeding van haar materiële en immateriële schade gevorderd.

De rechtbank heeft [eiser] c.s., q.q. en pro se, bij verstek veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding.

3.2.2 [eiser] c.s. zijn in hoger beroep gegaan van het vonnis van de rechtbank en hebben in hun memorie van grieven gesteld dat het in hoger beroep alleen gaat om hun aansprakelijkheid pro se. Het hof heeft [eiser] c.s. niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep op de grond dat zij daarbij geen belang hebben als bedoeld in art. 3:303 BW. Het heeft (in rov. 3.6) vastgesteld dat [eiser] c.s. niet ter zitting zijn verschenen, maar dat wel is verschenen hun advocaat alsmede een vertegenwoordiger van de verzekeraar bij wie [eiser] c.s. voor hun aansprakelijkheid op grond van art. 6:169 lid 2 BW zijn verzekerd. Het hof heeft vervolgens overwogen:

“3.6 (…) Op een vraag van het hof welk belang appellanten hebben bij hun hoger beroep, nu zij niet opkomen tegen hun hoofdelijke veroordeling q.q., terwijl bij de veroordeling van appellanten in het dictum van het bestreden vonnis geen onderscheid of verdeling wordt gemaakt in de aansprakelijkheid q.q. en de aansprakelijkheid pro se, is door de advocaat geantwoord dat appellanten een beroep hebben gedaan op hun aansprakelijkheidsverzekeraar, voor uitkering van het schadebedrag waarvoor zij als ouders pro se zijn veroordeeld. (…) Het hof begrijpt het betoog van de advocaat van appellanten aldus dat de aansprakelijkheidsverzekeraar er belang bij heeft dat de aansprakelijkheid van de ouders pro se, waarvoor de ouders een beroep hebben gedaan op de polis, alsnog wordt afgewezen. Op de vraag van het hof welk belang appellanten als ouders erbij hebben dat zij bij afwijzing van hun aansprakelijkheid pro se (op de voet van artikel 6:169 lid 2 BW) dan dus geen beroep kunnen doen op hun polis, terwijl zij voor de veroordeling q.q., die zij niet in hoger beroep hebben aangevochten, in het geheel geen beroep kunnen doen op enige polis, zoals het hof uit de toelichting ter zitting begrijpt, is geen duidelijk antwoord gekomen.

Immers, met de veroordeling pro se kunnen de ouders een beroep doen op de polis, zodat zij financieel belang erbij hebben dat die veroordeling in stand blijft. Daarmee lijkt het (financieel) belang van appellanten bij deze procedure in hoger beroep niet gediend (…).”

3.3.1 Onderdeel 1 betoogt, samengevat, dat het hof ten onrechte ervan lijkt uit te gaan dat een veroordeling van [eiser] c.s. in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun zoon impliceert dat [eiser] c.s. in hun eigen vermogen aansprakelijk zijn voor het bedrag waartoe hun zoon – als materiële procespartij – wordt veroordeeld. Dit oordeel is volgens het onderdeel onjuist, onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd.

Onderdeel 2 klaagt, kort gezegd, dat het hof heeft miskend dat ouders die pro se in hun eigen vermogen tot schadevergoeding worden aangesproken, voldoende belang in de zin van art. 3:303 BW hebben bij het betwisten van de aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:169 lid 2 BW, ongeacht of zij voor die aansprakelijkheid zijn verzekerd. De onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.3.2 De rechtbank heeft [eiser] c.s. zowel q.q. als pro se veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding. Bij de veroordeling q.q. gaat het om de veroordeling van [eiser] c.s. in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige zoon. De zoon – die op 14 januari 2012 veertien jaar oud was en gelet op art. 6:164 BW derhalve zelf aansprakelijk – is op grond van art. 6:162 BW gehouden tot schadevergoeding en deze schuld behoort dus tot zijn vermogen en [eiser] op dat vermogen worden verhaald (art. 3:276 BW). De veroordeling van [eiser] c.s. pro se betreft hun eigen aansprakelijkheid uit hoofde van art. 6:169 lid 2 BW. Bij deze veroordeling zijn [eiser] c.s. de schuldenaren van de verbintenis tot schadevergoeding en deze schuld behoort dus tot hun vermogen.

3.3.3 Ingevolge art. 6:169 lid 2 BW is de ouder van een kind dat de leeftijd van veertien jaar al wel, maar die van zestien jaar nog niet heeft bereikt, aansprakelijk voor de door het kind aan een derde toegebrachte schade, tenzij de ouder niet [eiser] worden verweten dat hij de gedraging van het kind niet heeft belet. Op laatstgenoemde uitzondering is door [eiser] c.s. in appel een beroep gedaan, naar het hof heeft vastgesteld (rov. 3.4). De enkele omstandigheid dat [eiser] c.s. voor hun op art. 6:169 BW berustende aansprakelijkheid verzekerd zijn, brengt niet mee dat zij geen belang hebben bij een beoordeling van hun aansprakelijkheid voor de gedragingen van hun zoon. Het hof heeft geen (andere) omstandigheden vastgesteld waaruit volgt dat zij daarbij belang missen.

3.3.4 In het licht van hetgeen hiervoor in 3.3.2 en 3.3.3 is overwogen, geeft het oordeel van het hof dat [eiser] c.s. geen belang hebben bij hun hoger beroep blijk van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is dat oordeel niet naar behoren gemotiveerd. De onderdelen zijn dan ook gegrond.

3.4 De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 december 2015;

verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] c.s. begroot op € 937,57 aan verschotten en € 2.600,– voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verweerster] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 21 april 2017.