• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Amsterdam
  • 14 juli 2016
  • ECLI:NL:RBAMS:2016:4523
  • Zaaknummer: EA VERZ 16-542

Rb: geen eigen schuld wegens vastpakken loslopende hond in aanlijngebied

Art 6:179 BW. Tijdens uitlaten van haar hond in een aanlijngebied wordt verzoekster geconfronteerd met een loslopende hond die haar hond probeert te benaderen. Om dit te voorkomen pakt verzoekster de halsband van de voor haar onbekende hond vast. Zij komt daarbij ten val en breekt haar heup heeft. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de eigenaar van de loslopende hond erkent aansprakelijkheid maar heeft 50% eigen schuld aan verzoekster toegerekend. De kantonrechter overweegt dat het ongeluk is gebeurd in een aanlijngebied. Het ongeval is niet (mede) te wijten aan het gedrag van hond van verzoekster, maar enkel aan de omstandigheid dat de hond van verweerster niet was aangelijnd. De omstandigheid dat verzoekster de hond van verweerster bij zijn halsband heeft vastgepakt is een logische en geen roekeloze reactie en dus geen gedraging die aan haar kan worden toegerekend zoals bedoeld in art. 6:101 BW.

ECLI:NL:RBAMS:2016:4523

 

 

Instantie Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak14-07-2016

Datum publicatie19-07-2016 Zaaknummer EA VERZ 16-542

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Geen sprake van eigen schuld bij ongeluk tijdens het uitlaten van de hond.

 

 

Tijdens uitlaten van haar hond in een aanlijngebied wordt verzoekster geconfronteerd met een loslopende hond die haar hond probeert te benaderen. Om dit te voorkomen heeft verzoekster de halsband van de voor haar onbekende hond vastgepakt Zij heeft daarbij haar evenwicht verloren en is ten val is gekomen waarbij zij haar heup heeft gebroken.

 

De aansprakelijkheidsverzekeraar van de eigenaar van de loslopende hond erkent aansprakelijkheid maar heeft 50% eigen schuld aan verzoekster toegerekend.

 

De kantonrechter overweegt dat het ongeluk is gebeurd in een aanlijngebied. Het ongeval is niet (mede) te wijten aan het gedrag van hond van verzoekster, maar enkel aan de omstandigheid dat de hond van verweerster niet was aangelijnd. De omstandigheid dat verzoekster de hond van verweerster bij zijn halsband heeft vastgepakt is een logische en geen roekeloze reactie en dus geen gedraging die aan haar kan worden toegerekend zoals bedoeld in artikel 6:101 BW.

 

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

..

 

 

RECHTBANK AMSTERDAM

 

 

Afdeling privaatrecht

 

 

 

 

zaaknummer: 5080163 EA VERZ 16-542

 

beschikking van: 14 juli 2016 (bij vervroeging)

 

func.: 454

 

 

 

 

beschikking van de kantonrechter in een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

 

 

 

 

I n z a k e

 

 

 

[verzoekster]

 

 

wonende te [woonplaats]

 

verzoekster

 

nader te noemen: [verzoekster]

 

gemachtigde: mr. A. van Dorp

 

 

 

 

t e g e n

 

 

 

[verweerster]

 

 

wonende te [woonplaats]

 

verweerster

 

nader te noemen: [verweerster]

 

gemachtigde: mr. M.A. Bosman

 

 

 

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

 

 

[verzoekster] heeft op 13 mei 2016 een verzoek ingediend dat strekt tot het geven van een beslissing in een deelgeschilprocedure.

 

 

 

 

[verweerster] heeft een verweerschrift ingediend.

 

 

 

 

Het verzoek is mondeling behandeld ter terechtzitting van 7 juli 2016. [verzoekster] is verschenen met haar echtgenoot [echtgenoot] en zoon en vergezeld door haar gemachtigde. [verweerster] is verschenen met haar echtgenoot [echtgenoot 2] en de gemachtigde. Partijen hebben het woord gevoerd en vragen van de kantonrechter beantwoord.

 

Na verder debat is een datum voor beschikking bepaald.

 

 

 

 

 

GRONDEN VAN DE BESLISSING

 

 

 

 

 

Feiten

 

 

 

 

  1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:

 

1.1.

[verzoekster] is eigenaresse van een hond, een kruising tussen een Jack Russel, Mattezer en Westland Highland White Terrier.

 

1.2.

[verweerster] is eigenaresse van een Golden Retriever en een Labrador, genaamd [hond 1] .

 

1.3.

In de avond van 15 augustus 2014 liet [verzoekster] samen met haar echtgenoot haar hond uit in een aanlijngebied in de omgeving van haar woning in [woonplaats] . Zij had haar hond aan de lijn. De zoon van [verweerster] liet op dat moment de honden van [verweerster] uit. De Golden Retriever was niet aangelijnd. [hond 1] (op dat moment 10 maanden) was aanvankelijk aangelijnd maar heeft zich los gemaakt en is op de hond van [verzoekster] afgerend. [verzoekster] heeft, nadat [hond 1] haar hond probeerde te benaderen, de halsband van [hond 1] vastgepakt. Zij heeft daarbij haar evenwicht verloren en is ten val is gekomen. Als gevolg van de val heeft zij haar rechterheup gebroken.

 

1.4.

Aegon is de WA verzekeraar van [verweerster] . Aegon heeft aanvankelijk aansprakelijkheid volledig afgewezen. Vervolgens heeft Aegon aansprakelijkheid erkend, maar 50% eigen schuld aan [verzoekster] toegerekend

 

 

 

Het geschil

 

 

 

  1. [verzoekster] verzoekt de kantonrechter te bepalen dat [verweerster] volledig aansprakelijk is voor het ongeval dan wel een percentage eigen schuld vast te stellen dat zij redelijk acht. Voorts verzoekt [verzoekster] de kosten ex art. 1019aa Rv te begroten op een bedrag van € 4.936,80 incl. btw (zoals in productie 7 bij het verzoek gespecificeerd), dan wel op een ander in goede justitie te begroten bedrag, te vermeerderen met de proceskosten.

 

  1. [verweerster] voert verweer. Volgens [verweerster] zijn er twee omstandigheden die in de risicosfeer van [verzoekster] liggen die er toe leiden dat er in redelijkheid een percentage van 50% eigen schuld aan [verzoekster] dient te worden toegerekend, te weten de reflexwerking van artikel 6:179 BW en het feit dat [verzoekster] zonder noodzaak de halsband van [hond 1] heeft vastgepakt.

 

  1. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan

 

 

 

Beoordeling

 

 

  1. Het onderhavige verzoek leent zich voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w e.v. Rv. Partijen zijn verdeeld over de vraag of sprake is van eigen schuld ex artikel 6:101 BW en duidelijkheid daarover kan voldoende bijdrage aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Het verzoek zal daarom inhoudelijk worden beoordeeld.

 

  1. Artikel 6:179 BW bepaalt dat de bezitter van een dier aansprakelijk is voor de door het dier aangerichte schade, tenzij aansprakelijkheid op grond van de eerste afdeling van titel 3 boek 6 BW zou hebben ontbroken, indien de bezitter de gedraging van het dier waardoor de schade werd toegebracht in zijn macht zou hebben gehad. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van de uitzondering op de hoofdregel, zodat aansprakelijkheid van [verweerster] voor de schade van [verzoekster] in beginsel is gegeven.

 

 

  1. [verweerster] heeft een beroep gedaan op de reflexwerking van artikel 6:179 BW. Het gedrag van de eigen hond van [verzoekster] beïnvloedde het (onberekenbare) gedrag van [hond 1] en heeft volgens [verweerster] daaraan bijgedragen.

 

 

  1. Wat daar ook van zij, [verweerster] verliest uit het oog dat het ongeluk van [verzoekster] is gebeurd in een aanlijngebied. Ook als [verzoekster] ’ eigen hond, zoals [verweerster] stelt, [hond 1] uitdaagde om op haar hond toe te komen rennen, had het ongeluk zich niet kunnen voordoen indien [hond 1] was aangelijnd. Dat [hond 1] aanvankelijk wel correct was aangelijnd maar was ‘ontsnapt’ doet aan het voorgaande niets af. Het ongeval is dan ook niet (mede) te wijten aan het gedrag van [verzoekster] ’ hond, maar enkel aan de omstandigheid dat [hond 1] niet was aangelijnd.

 

 

  1. [verweerster] heeft voorts aangevoerd dat er geen enkele noodzaak of reden voor [verzoekster] was om de halsband van [hond 1] vast te pakken, zodat nu zij dit wel heeft gedaan 50% eigen schuld bestaat. Artikel 6:101 BW regelt de gevallen waarin de schade niet alleen is veroorzaakt door gebeurtenissen waarvoor de dader aansprakelijk is, maar ook door eigen gedragingen van de benadeelde of van gebeurtenissen die in zijn of haar risicosfeer liggen.

 

De omstandigheid dat [verzoekster] [hond 1] bij zijn halsband heeft vastgepakt is echter een logische en geen roekeloze reactie en dus geen gedraging die aan haar kan worden toegerekend zoals bedoeld in artikel 6:101 BW. Begrijpelijk is immers dat zij een voor haar onbekende (grotere) hond, die op dat moment niet onder controle was van de eigenaar, heeft willen tegenhouden om bij haar hond te komen. Dat daarbij geen sprake was van een gevecht tussen beide honden is niet van belang. Vaststaat dat [hond 1] op de hond van [verzoekster] is afgerend en dat hij heeft geprobeerd om (ondanks pogingen van [verzoekster] om het tegen te houden) bleef proberen om bij de hond van [verzoekster] te komen. Gelet op het korte tijdsbestek waarin zij een beslissing moest nemen en haar gedachte dat zij haar eigen, wel aangelijnde hond moest beschermen tegen de grotere onbekende hond, kan haar niet worden verweten dat zij niet heeft bedacht dat [hond 1] (destijds tien maanden) alleen maar zou willen spelen met haar hond, zoals door [verweerster] is gesteld. Evenmin kan gelet op de geschetste situatie aan haar worden tegengeworpen dat zij niet heeft gewacht op actie van de zoon van [verweerster] .

 

 

  1. Het voorgaande betekent dat het beroep op eigen schuld aan de zijde van [verzoekster] faalt en dat [verweerster] volledig aansprakelijk is voor de schade van [verzoekster] .

 

 

  1. Op de voet van artikel 1019aa Rv dient de rechter de kosten van de behandeling van het verzoek aan de zijde van [verzoekster] te begroten, waarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 tweede lid BW in aanmerking moeten worden genomen. Het dient daarbij te gaan om kosten welke in redelijkheid gemaakt zijn en de hoogte van die kosten dient eveneens redelijk te zijn. [verweerster] heeft zich ter zake gerefereerd.

 

 

  1. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de door [verzoekster] begrote kosten in redelijkheid gemaakt, terwijl de hoogte ervan past bij de verrichte werkzaamheden, zeker tegen de achtergrond van de aard van het geschil en de houding van de verzekeraar van [verweerster] in de buitengerechtelijke fase, waarbij in eerste instantie de aansprakelijkheid volledig werd afgewezen.

 

 

  1. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende beslissing.

 

 

 

BESLISSING

 

 

 

 

De kantonrechter:

 

 

 

 

stelt vast dat er geen grond is de vergoedingsplicht te verminderen op de voet van artikel 6:101 BW en verklaart [verweerster] volledig aansprakelijk;

 

 

 

veroordeelt [verweerster] in de kosten van deze procedure, tot heden aan de zijde van [verzoekster] begroot op € 4.936,80 (incl. btw), vermeerderd met € 223,00 aan griffierecht;

 

 

 

veroordeelt [verweerster] tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van de beschikking heeft plaatsgevonden en [verweerster] niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan de beschikking heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

 

 

 

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

 

 

 

wijst het meer of anders gevorderde af.

 

 

 

Aldus gegeven door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.