• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Midden-Nederland
  • 3 februari 2016
  • ECLI:NL:RBMNE:2016:1966
  • Zaaknummer: 4032744 UC EXPL 15-5312 MAR/1217

Rb: school als werkgever aansprakelijk voor val leraar tijdens schaatsactiviteit

Werknemer, leraar aan ROC, komt ten val tijdens schaatsactiviteit met klas. 1. De kantonrechter oordeelt dat het als docent begeleiden van studenten bij een (schaats)activiteit die plaatsvindt tijdens reguliere lestijden valt onder het uitoefenen van zijn werkzaamheden in de zin van art 7:658 lid 1 BW. De kantonrechter wijst erop dat het bij onderwijsinstellingen gebruikelijk is dat naast de reguliere lessen ook verschillende “buitenschoolse” activiteiten plaatsvinden die tot het lesprogramma behoren. 2. De kantonrechter oordeelt dat ROC zijn zorgplicht heeft geschonden, door geen enkele instructie of waarschuwing te geven. Het had op de weg van de werkgever gelegen de docenten voor te houden dat zij niet verplicht waren zelf ook het ijs op te gaan en dat indien men toch wilde schaatsen men voorzichtig zou moeten doen, eventueel een helm en/of andere lichaamsbescherming zou kunnen huren of gebruiken en/of gebruik moest maken van de reling die op de ijsbaan is aangebracht.

ECLI:NL:RBMNE:2016:1966

Instantie: Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak: 03-02-2016Datum publicatie11-04-2016

Zaaknummer: 4032744 UC EXPL 15-5312 MAR/1217
Rechtsgebieden: Civiel recht
Bijzondere kenmerken; Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie: Arbeidsongeval. Docent komt ten val tijdens schaatsactiviteit met klas. Deze buitenschoolse activiteit valt onder het verrichten van arbeid. Schending zorgplicht.
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl


Uitspraak


RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 4032744 UC EXPL 15-5312 MAR/1217


Vonnis van 3 februari 2016


in de zaak van


[eiser],

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. G. Loman,

tegen


de stichting STICHTING [gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. A.A.M. Zeeman.


Partijen zullen hierna [eiser] en ROC genoemd worden.


1 De procedure

 

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 24 juni 2015, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

– de brief van 30 november 2015 van [eiser] waarbij productie 5 is overgelegd;

– de brief van 4 december 2015 van ROC waarbij productie 3 en 4 zijn overgelegd;

– de comparitie van partijen gehouden op 14 december 2015, waarvan aantekening is gehouden.


1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

 

2 De feiten

 

2.1. [eiser] is in de functie van mentor/loopbaanbegeleider en docent werkzaam bij ROC, bij de opleiding Maatschappelijke Zorg.


2.2. ROC is een onderwijsorganisatie voor middelbaar beroepsonderwijs, voortgezet onderwijs voor volwassenen (VAVO Lyceum), bedrijfsopleidingen en participatieonderwijs in de provincie Utrecht. De beroepsopleidingen worden aangeboden via 12 colleges die ieder verschillende opleidingen omvatten. De opleiding Maatschappelijke Zorg is een van de opleidingen van het Gezondheidszorg College.


2.3. ROC hanteert een zogenaamde 5% bewegingsnorm: studenten moeten 5% van de totale opleidingstijd besteden aan beweging. Naast de sportactiviteiten die onderdeel uitmaken van het lesprogramma gedurende het schooljaar wordt elke lesperiode afgesloten met een “breekweek”. In zo’n breekweek wordt voor studenten een activiteit georganiseerd. De invulling van de breekweken wordt per opleiding bepaald door de docenten en het afdelingshoofd. De Sportdesk van het ROC regelt vervolgens de daadwerkelijke organisatie van de gekozen activiteit.


2.4. Voor de breekweek in januari 2012 heeft de opleiding Maatschappelijke Zorg gekozen voor een schaatsactiviteit op de kunstijsbaan De Vechtsebanen in Utrecht.


2.5. [eiser] was, net als een aantal andere docenten en collega’s van de Sportdesk, op maandag 23 januari 2012 aanwezig bij de schaatsactiviteit.


2.6. Tijdens het schaatsen is [eiser] ten val gekomen, waarbij hij met zijn hoofd op het ijs terecht is gekomen. Hij heeft daarbij een postcommotioneel syndroom opgelopen. [eiser] is in januari 2015 in het kader van de WIA 79% arbeidsongeschikt geacht.


2.7. ROC heeft geen aansprakelijkheid erkend voor de (gevolgen van de) val van [eiser] .

 

3 Het geschil

 

3.1. [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, een verklaring voor recht dat ROC ten opzichte van [eiser] aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade die hij lijdt als gevolg van het ongeval op 23 januari 2012. Daarnaast vordert [eiser] de veroordeling van ROC in de proceskosten.


3.2. Aan deze vordering legt [eiser] het volgende ten grondslag. Het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens werktijd en in de uitoefening van de werkzaamheden van [eiser] , waartoe [eiser] op de ijsbaan aanwezig was. Als gevolg van de val lijdt [eiser] schade.

Volgens [eiser] is ROC primair aansprakelijk op grond van artikel 7:658 BW. ROC heeft volgens [eiser] de zorgplicht die ingevolge artikel 7:658 lid 1 BW op haar rust geschonden, omdat ROC onvoldoende maatregelen heeft getroffen en onvoldoende aanwijzingen heeft gegeven om te voorkomen dat [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade zou lijden, dit terwijl de risico’s van schaatsen algemeen bekend zijn. Schaatsen is volgens [eiser] een gevaarlijke activiteit.

Subsidiair baseert [eiser] zijn vordering op artikel 7:611 BW, in combinatie met artikel 6:74 BW. ROC heeft volgens [eiser] niet gehandeld zoals van een goed werkgever mag worden verwacht.

 

3.3. ROC voert gemotiveerd verweer.


3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

4 De beoordeling

 

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] op 23 januari 2012 tijdens de schaatsactiviteit ten val is gekomen en dat daarbij letsel is ontstaan. Partijen verschillen van mening over de vraag of ROC aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade als gevolg van het ongeval.


4.2. [eiser] heeft zijn vordering primair gebaseerd op artikel 7:658 BW. De vraag die in dit kader beantwoord moet worden is of sprake is van aansprakelijkheid van ROC vanwege de omstandigheid dat zij niet aan de ingevolge artikel 7:658 BW op haar rustende zorgplicht heeft voldaan en of ROC zodoende gehouden is tot schadevergoeding.


4.3. De kantonrechter stelt het volgende voorop. Op grond van het bepaalde in artikel 7:658 lid 2 BW is de werkgever ten opzichte van de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan de in het eerste lid van artikel 7:658 BW genoemde zorgplicht heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

Artikel 7:658 lid 1 BW vereist een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen en gereedschappen, alsmede van de organisatie van de betrokken werkzaamheden (Hoge Raad 11 april 2008, NJ 2008/465). ROC is als werkgever van [eiser] op grond van artikel 7:658 BW dus gehouden die maatregelen te treffen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om ongevallen, die zich bij de uitoefening door de werknemer van zijn werkzaamheden zouden kunnen voordoen, te voorkomen. Artikel 7:658 BW houdt een ruime zorgplicht in. Er wordt niet snel aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en dus niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Artikel 7:658 BW beoogt daarentegen ook geen absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen gevaar. Welke veiligheidsmaatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

 

4.4. Vaststaat, partijen zijn het daarover immers eens, dat [eiser] op 23 januari 2012 tijdens de schaatsactiviteit ten val is gekomen en dat daarbij letsel is ontstaan. ROC is evenwel van mening dat het schaatsen niet aangemerkt kan worden als het verrichten van arbeid in de zin van artikel 7:658 BW, zodat tijdens het schaatsen op ROC jegens [eiser] geen zorgplicht rustte op grond van artikel 7:658 BW. Dit verweer faalt. Het als docent (mentor/loopbaanbegeleider) begeleiden van studenten naar en bij een (schaats)activiteit die plaatsvindt tijdens reguliere lestijden en onderdeel uitmaakt van de lesverplichtingen van de studenten kan voor een docent – en zeker voor een mentor/loopbaanbegeleider die zijn klas bij een dergelijke activiteit begeleidt – bezwaarlijk anders worden geduid dan het uitoefenen van zijn werkzaamheden. De kantonrechter wijst op het feit dat het bij onderwijsinstellingen gebruikelijk is dat naast de reguliere lessen ook verschillende “buitenschoolse” activiteiten plaatsvinden die tot het lesprogramma behoren en als zodanig ook in beginsel verplicht zijn voor de studenten. Dat was in elk geval zo in het onderhavige geval. Daarbij zullen vanzelfsprekend ook docenten aanwezig moeten zijn. Het belang van voldoende begeleiders was voor ROC ook daarin gelegen dat bij onvoldoende docenten om de activiteit te begeleiden, het schaatsen niet kon doorgaan. Voor docenten vormen dergelijke activiteiten zodoende onderdeel van hun werkzaamheden. Dit is niet anders voor de onderhavige schaatsactiviteit. Dat [eiser] niet verplicht was zich als begeleider aan te melden omdat ook andere docenten de begeleiding op zich hadden kunnen nemen, maakt dit uiteraard niet anders. [eiser] heeft in dit verband bovendien terecht gewezen op zijn rol als mentor/loopbaangebeleider, waardoor het temeer voor de hand lag dat hij als begeleider mee ging.

Dit betekent dat het begeleiden van het schaatsen beschouwd moet worden als het verrichten van arbeid. Anders dan ROC betoogt is de kantonrechter van oordeel dat dit ook geldt voor de actieve deelname door [eiser] aan het schaatsen zelf. Dat een actieve deelname voor docenten niet verplicht was, zoals ROC aanvoert, kan naar het oordeel van de kantonrechter niet tot de conclusie leiden dat het deelnemen aan het schaatsen om die reden niet geschaard moet worden onder het uitoefenen van werkzaamheden. Het door ROC in het kader van de bewoordingen “in de uitoefening van zijn werkzaamheden” in artikel 7:658 lid 2 BW gemaakte onderscheid tussen het begeleiden van de activiteit en een actieve deelname aan de activiteit, is naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval irrelevant. Ook hier wijst de kantonrechter op het feit dat het bij “buitenschoolse” activiteiten als deze, voor docenten wellicht niet verplicht maar wel gebruikelijk en gangbaar is dat zij daaraan ook zelf deelnemen en daarmee ook blijk geven van betrokkenheid bij de studenten die op dat moment aan hun zorg en verantwoordelijkheid zijn toevertrouwd. Dit geldt in het bijzonder voor de mentor/loopbaanbegeleider die zijn eigen klas vergezelt bij een dergelijke activiteit. [eiser] heeft het belang daarvan tijdens de comparitie ook benadrukt met zijn verklaring dat hij een voorbeeldfunctie vervult en door zelf ook te schaatsen zijn studenten, in het bijzonder studenten van allochtonen afkomst zoals hijzelf, motiveert en/of overhaalt om ook te proberen te schaatsen.

De schade van [eiser] is dus naar het oordeel van de kantonrechter ontstaan tijdens het uitoefenen van zijn werkzaamheden. Dit betekent dat ROC op grond van artikel 7:658 lid 2 BW daarvoor in beginsel aansprakelijk is.

 

4.5. Om vervolgens te kunnen concluderen dat ROC niet aansprakelijk is, is het aan ROC om aan te tonen dat aan de zorgplicht genoemd in lid 1 van artikel 7:658 BW is voldaan. ROC stelt dat zij haar zorgplicht niet heeft geschonden. ROC stelt daartoe dat zij de gebruikelijke maatregelen bij het schaatsen heeft getroffen, namelijk het attenderen van de studenten en begeleiders op het gebruik van handschoenen. Meer specifieke instructies dan de gebruikelijke instructies hoefde ROC niet te verstrekken. ROC is van mening dat val van [eiser] aangemerkt moet worden als een “huis- tuin- en keukensituatie”, waarvoor geen bijzondere zorgplicht geldt zodat ROC niet aansprakelijk is.

[eiser] daarentegen is van mening dat ROC de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden, omdat ROC bij hem niet heeft geïnformeerd of en in hoeverre hij kon schaatsen. ROC heeft geen enkele instructie aan [eiser] verstrekt. ROC heeft niet aangegeven dat [eiser] de schaatsactiviteit (ook) langs de kant van de ijsbaan kon volgen. Ook heeft ROC geen helm of stoel ter beschikking gesteld.

 

4.6. De kantonrechter overweegt als volgt. Anders dan ROC beschouwt de kantonrechter de val van [eiser] tijdens de schaatsactiviteit niet als een zogenoemd “huis-, tuin- en keukenongeval” die buiten de reikwijdte van de zorgplicht van ROC valt. Het is juist dat van een werknemer voorzichtigheid mag worden verlangd in min of meer dagelijks voorkomende situaties die een beperkt risico inhouden. Dat geldt ook in situaties waarvan niet gezegd kan worden dat ze specifiek werk gerelateerd zijn, doordat ze zich niet wezenlijk onderscheiden van situaties die zich in het normale dagelijks leven veelvuldig voordoen. Ook bij relatief eenvoudige handelingen in het dagelijkse leven is immers niet elk risico uit te sluiten. Schaatsen valt naar het oordeel van de kantonrechter niet onder dergelijke situaties. Een alledaagse activiteit is schaatsen, ook in Nederland, niet te noemen. Daargelaten of schaatsen een gevaarlijke activiteit is, van een beperkt risico op valpartijen en/of letsel is, naar algemeen bekend mag worden verondersteld, in elk geval geen sprake. IJs is nu eenmaal glad en hard, schaatsen is niet voor iedereen even gemakkelijk en valpartijen op het ijs leiden met grote regelmaat tot botbreuken of ander letsel. Enerzijds leidt dit tot de vaststelling dat aan een zorg- of waarschuwingsplicht van ROC jegens [eiser] – die hiermee ook bekend mag worden verondersteld – geen vergaande eisen hoeven te worden gesteld. Anderzijds betekent dit dat op ROC wel degelijk een dergelijke zorgplicht rustte. Zij kon en mocht er niet van uit gaan dat iedere begeleidende docent zich op het ijs zou kunnen redden, ook niet indien er (al dan niet beperkte) ervaring met schaatsen was.


4.7. De enkele instructie die ROC, volgens haar eigen stellingen, echter heeft verstrekt is het gebruik van handschoenen, aan zowel studenten als docenten. Aan de docenten die als begeleiders zouden meegaan is geen enkele andere, nadere instructie of waarschuwing gegeven, terwijl niet valt in te zien dat dit redelijkerwijs niet van haar kon worden verlangd. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft ROC daarmee niet aan de zorgplicht als bedoeld in lid 1 van artikel 7:658 BW voldaan. Het had naar het oordeel van de kantonrechter in elk geval op de weg van het ROC – als werkgever – gelegen de docenten voor te houden dat zij niet verplicht waren zelf ook het ijs op te gaan en dat zij ook zouden kunnen toezien en aanmoedigen vanaf de zijlijn. ROC had verder kunnen aangeven dat indien men toch wilde schaatsen (en niet of niet goed kon schaatsen) men voorzichtig zou moeten doen, eventueel een helm en/of andere lichaamsbescherming zou kunnen huren of gebruiken en/of gebruik moest maken van de reling die op de ijsbaan is aangebracht. Dit alles zijn weinig bezwaarlijke maatregelen, waarmee wel expliciet duidelijk zou zijn gemaakt wat wel en wat niet van de docenten werd verwacht tijdens deze – niet risicoloze – activiteit.

Het voorgaande betekent dat ROC op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade van [eiser] . De gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen.

 

4.8. ROC zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

– dagvaarding € 99,99

– griffierecht € 78,00

– salaris gemachtigde € 400,00 (2 punten x tarief € 200,00)

Totaal € 577,99

 

5 De beslissing

 

De kantonrechter:


5.1. verklaart voor recht dat ROC ten opzichte van [eiser] aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade die [eiser] lijdt als gevolg van de val op 23 januari 2012;


5.2. veroordeelt ROC tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 577,99, waarin begrepen € 400,00 aan salaris gemachtigde;


5.3. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;


5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Willems, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2016.