• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Den Haag
  • 15 september 2015
  • ECLI:NL:GHDHA:2015:2438
  • Zaaknummer: 200.155.535/01

Hof: mesothelioom, beroep op verjaring na toetsing aan gezichtspuntencatalogus niet onaanvaardbaar

Werknemer is van 1953 tot 1969 werkzaam geweest bij werkgever; in 2010 is diagnose mesothelioom gesteld, 2 maanden later is werknemer overleden, in 2011 hebben de nabestaanden de werkgever aansprakelijk gesteld. 1. Het hof wijst het verzoek tot het stellen prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, n.a.v. EHRM Moor c.s/Zwitserland af. 2. Het hof komt na toetsing aan de gezichtspunten, ontleend aan HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635 Van Hese/Schelde, tot het oordeel dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Behoudens t.a.v. de voortvarende aansprakelijkstelling van de werkgever pleiten alle overige kenmerken die volgens de gezichtspuntencatalogus van de Hoge Raad van belang zijn, tegen doorbreking van het beroep op verjaring. Daarbij weegt voor het hof met name zwaar het gebrek aan informatie over de exacte gang van zaken destijds, van welk gebrek werkgever geen verwijt kan worden gemaakt, en de omstandigheid dat werkgever geen ernstig verwijt gemaakt kan worden van het ontstaan van de schade.

  1. ECLI:NL:GHDHA:2015:2438

 

Instantie Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak 15-09-2015

Datum publicatie 19-09-2015

Zaaknummer200.155.535/01

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Hoger beroep

Inhoudsindicatie

 

Mesothelioom-zaak. Beroep op verjaring door (rechtsopvolger van) werkgever. Geen prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, n.a.v. EHRM Moor c.s/Zwitserland. Beoordeling aan de hand van de gezichtspunten uit HR Van Hese/Schelde. Beroep niet onaanvaardbaar.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

GERECHTSHOF DEN HAAG

 

Afdeling Civiel recht

 

 

 

Zaaknummer : 200.155.535/01

 

 

 

 

Zaaknummer rechtbank : 1351951 / CV EXPL 12-28339

 

 

 

 

arrest van 15 september 2015

 

 

 

 

inzake

 

 

 

 

[naam],

optredend voor zichzelf en in hoedanigheid van erfgename van

de heer [X],

 

wonende te [woonplaats],

 

appellante,

 

hierna te noemen: [appellante],

 

advocaat: mr. R.F. Ruers te Utrecht,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

Maersk B.V.,

 

gevestigd te Rotterdam,

 

geïntimeerde,

 

hierna te noemen: Maersk,

 

advocaat: mr M.H. Louws te Rotterdam.

 

 

 

1 Het geding in hoger beroep

 

 

 

 

Bij exploot van 29 juli 2014 is [appellante] in hoger beroep gekomen van een door de kantonrechter, rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Rotterdam, tussen partijen gewezen vonnis van 6 juni 2014. Bij memorie van grieven met producties heeft [appellante] twee grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft Maersk de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen op de zaak op 3 juli 2015 doen bepleiten, [appellante] door mr Ruers en Maersk door mr. Louws, beiden voornoemd. De advocaten hebben gepleit aan de hand van overgelegde pleitnotities. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

 

 

 

2 De feiten

De door de rechtbank in het vonnis van 6 juni 2014 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal van die feiten, die hierna – voorzien van enkele kleine aanpassingen – zijn overgenomen uit het vonnis van de kantonrechter, uitgaan.

 

 

[appellante] is gehuwd geweest met de heer [X], geboren [geboortedatum] (hierna: [X]) en is diens erfgenaam.

 

[X] is in de periode 1953 tot 1969 (met een korte onderbreking in 1953 en 1954 in verband met het vervullen van militaire dienstplicht) werkzaam geweest bij de Vereenigde Nederlandsche Scheepvaartmaatschappij (hierna: VNS). VNS is overgegaan op Nedlloyd, en uiteindelijk na een groot aantal fusies en overnames Maersk BV komen te heten.

 

In augustus 2010 heeft de longarts bij [X] de diagnose maligne mesothelioom vastgesteld. Deze diagnose is 17 september 2010 door het Nederlands Mesothelioom Panel bevestigd. Van deze ziekte is slechts één oorzaak bekend, te weten blootstelling aan asbest.

 

[X] heeft zich voor bemiddeling gewend tot het Instituut Asbestslachtoffers (hierna: IAS). Het IAS heeft in september 2010 het “Rapport inzake arbeidshistorisch onderzoek en blootstelling asbest” opgemaakt, welk rapport door [X] is ondertekend. In dit rapport heeft [X] onder meer verklaard dat hij als tweede stuurman regelmatig naar Zuid Afrika is gevaren en tijdens die reizen is blootgesteld aan asbest, dat in jute zakken werd vervoerd.

 

Bij brief van 17 september 2010 heeft [X] Maersk aansprakelijk gesteld. Maersk heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

 

De Sociale Verzekeringsbank heeft op 23 september 2010 op grond van de regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS) een voorschot van € 18.106,00 aan [X] toegekend.

 

Op 7 oktober 2010 is [X] overleden aan de gevolgen van mesothelioom.

 

Bij brief van 15 januari 2011 heeft het IAS aan [appellante] medegedeeld dat zij tot de conclusie is gekomen dat er geen overeenstemming tussen partijen is bereikt en het IAS de bemiddeling zou afronden.

 

Naar aanleiding van de brief van 1 februari 2011 van de gemachtigde van [appellante] heeft Maersk te kennen gegeven haar standpunt dat zij ook tijdens de bemiddeling van IAS heeft ingenomen, namelijk dat zij niet aansprakelijk is voor schade van [X], te handhaven.

 

 

 

 

3 De vorderingen, het verweer en het oordeel in eerste instantie

 

 

3.1.

[appellante] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: (1) te verklaren voor recht dat Maersk jegens [X] en [appellante] verwijtbaar tekortgeschoten is en daardoor jegens [appellante] schadeplichtig is geworden; (2) Maersk te veroordelen om aan [appellante] te vergoeden de immateriële schade, begroot op € 60.000,–, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; (3) Maersk te veroordelen om aan [appellante] te vergoeden haar materiële schade, begroot op € 10.856,47, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; (4) Maersk te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten begroot op € 909,27, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, alles met veroordeling in de proceskosten.

 

 

3.2.

Nadat Maersk tegen de vorderingen verweer had gevoerd heeft de kantonrechter bij (eind-)vonnis van 6 juni 2014 de vorderingen van [appellante] afgewezen en haar veroordeeld in de kosten van het geding. De kantonrechter heeft, samengevat, geoordeeld dat Maersk zich terecht op verjaring van de vordering van [appellante] heeft beroepen en dat er, de ‘gezichtspunten’ bedoeld in HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635 Van Hese/Schelde in ogenschouw genomen, geen grond bestaat het beroep van Maersk op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te oordelen.

 

 

 

4 De beoordeling in hoger beroep

 

 

4.1.

De kantonrechter heeft overwogen dat de vraag of Maersk aansprakelijk is jegens [appellante] beoordeeld moet worden aan de hand van artikel 6:162 BW, in welk verband een beoordelingskader gelijk aan dat van artikel 7:658 BW zou dienen te worden toegepast. Aan een oordeel over de aansprakelijkheidsvraag is de kantonrechter niet toegekomen omdat de vordering van [appellante] reeds strandde doordat haar vordering, voor zover bestaand, naar het oordeel van de kantonrechter is verjaard. Het debat in hoger beroep is geheel toegespitst op de verjaringsproblematiek. Het hof zal ingaan op het oordeel van de kantonrechter over het beroep op verjaring en alleen toekomen aan de beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag als het verjaringsberoep van Maersk in dit hoger beroep alsnog wordt verworpen.

verjaringsberoep en het EHRM-arrest inzake Moor c.s./Zwitserland

 

 

4.2.

Met grief I bestrijdt [appellante] het oordeel van de kantonrechter dat het beroep op verjaring slaagt met de stelling dat het bepaalde in artikel 3:310 lid 2 BW en het daarop gebaseerde verjaringsverweer, in strijd komen met artikel 6 § 1 van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). [appellante] bepleit de toepassing van de ‘manifestatieleer’ op grond waarvan verjaring “eerst een aanvang neemt op het moment dat de gelaedeerde op objectieve wijze kennis heeft kunnen nemen van bij hem geconstateerde letselschade”. In dat verband verwijst [appellante] naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Moor c.s./Zwitserland (zaaknummers 52067/10 en 41072/11). Mocht het hof niet reeds dadelijk de conclusie trekken dat op grond van genoemd arrest van het EHRM het door Maersk gedane beroep op verjaring geen stand houdt, dan nodigt [appellante] het hof uit aan de Hoge Raad een prejudiciële vraag te stellen. Met die vraag zou duidelijkheid verkregen moeten worden over de houdbaarheid van artikel 3:310 lid 2 BW in het licht van het zojuist genoemde arrest van het EHRM.

 

 

4.3.

Het hof is van oordeel dat er geen grond is het bepaalde in artikel 3:310 lid 2 (de regeling van de verlengde verjaringstermijn voor aansprakelijkheid wegens verontreiniging van lucht, water of bodem) in strijd te achten met artikel 6 § 1 van het EVRM op grond van het arrest Moor c.s./Zwitserland. Het hof ziet geen aanleiding aan de Hoge Raad een prejudiciële vraag te stellen. Het hof overweegt daartoe het volgende.

 

 

4.4.

In het arrest Moor c.s./Zwitserland is het EHRM tot het oordeel gekomen dat (kort weergegeven) sprake is van schending van artikel 6 § 1 van het EVRM als een benadeelde die compensatie verlangt voor schade als gevolg van maligne mesothelioom, zijn vordering tot schadevergoeding ziet stranden op grond van de in Zwitserland geldende (objectieve) verjaringstermijn van tien jaar, die aanvangt op de dag waarop inademing van asbestvezels heeft plaatsgevonden. Hoewel het EHRM het belang van de rechtszekerheid in het algemeen onderkende, achtte het schending van genoemde verdragsbepaling aanwezig omdat deze Zwitserse objectieve verjaringsregel het mesothelioomslachtoffers in de praktijk onmogelijk maakte een vordering tot schadevergoeding in te stellen, omdat de ondergrens van de zogenaamde latentieperiode overeenkomt met deze verjaringstermijn.

 

 

4.5.

De Nederlandse situatie verschilt van de Zwitserse constellatie zoals beoordeeld in de zaak Moor c.s./Zwitserland. Het Nederlandse recht kent voor gevallen als het onderhavige een objectieve verjaringstermijn van 30 jaar (artikel 3:310 lid 2 BW). Gelet op de zojuist genoemde latentieperiode van mesothelioom, die varieert van 10 tot 60 jaar, is er in Nederland voor benadeelden bij wie zich de ziekte openbaart voordat 30 jaar verstreken is, een kans tegen een aansprakelijk geachte persoon een vordering in te stellen (althans de verjaring van die vordering te stuiten) binnen genoemde termijn. In zijn arrest Van Hese/Schelde (HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635) heeft de Hoge Raad zich gebogen over de vraag of de objectieve verjaringstermijn van 30 jaar van artikel 3:310 lid 2 BW in gevallen waarin de benadeelde voor het verstrijken van de termijn nog niet bekend is met de schade, in strijd is met artikel 6 § 1 van het EVRM. De Hoge Raad kwam tot de conclusie dat de relatief lange, objectieve verjaringstermijn van 30 jaar, bezien in het licht van de met de verjaringregel gediende rechtszekerheid, bleef binnen de “margin of appreciation” die verdragsluitende staten hebben om grenzen te stellen aan het recht op toegang tot de rechter. In dat arrest heeft de Hoge Raad niettemin nadrukkelijk houvast geboden voor een onder bijzondere omstandigheden te aanvaarden beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid wanneer (de nabestaande van) een mesothelioom-benadeelde wordt geconfronteerd met een beroep op de objectieve verjaringstermijn door de aansprakelijk gestelde persoon. Dit laatste betekent uiteraard geenszins dat de door [appellante] verdedigde ‘manifestatieleer’ voor schadegevallen die hun oorzaak vinden in asbestbesmettingen van voor 1 februari 2004 (zie artikel 3:310 lid 5 BW) in feite is geïncorporeerd in het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht in zaken als deze, maar leidt er wel toe dat in uitzonderlijke gevallen ondanks de voltooiing van de, relatief lange, objectieve verjaringstermijn een actie aan de benadeelde ter beschikking kan staan.

Het is op grond van deze van de Zwitserse situatie afwijkende omstandigheden dat het hof tot de conclusie komt dat geen rekening behoeft te worden gehouden met een reële kans dat sprake is van strijd met artikel 6 § 1 van het EVRM. Voor het stellen van een prejudiciële vraag ziet het hof daarom geen grond.

(on-)aanvaardbaarheid van het beroep op verjaring: de gezichtspunten uit Van Hese/Schelde

 

 

4.6.

Met grief II komt [appellante] op tegen de toepassing althans de interpretatie van de zogenaamde zeven gezichtspunten uit het arrest Van Hese/Schelde. [appellante] betoogt – en met recht – dat deze gezichtspunten niet strikt afzonderlijk in ogenschouw genomen moeten worden en (zo begrijpt het hof de visie van [appellante]) dus niet als losstaand te beoordelen elementen leiden tot een ‘optelsom’, maar in onderlinge samenhang beoordeeld dienen te worden, waaraan het hof voor alle helderheid nog toevoegt dat het ene gezichtspunt een groter gewicht kan hebben in de eindbeoordeling waarin de beschouwing van de diverse elementen uitmondt.

Voor zover [appellante] een klacht over de aanpak door de kantonrechter tot uiting heeft willen brengen, strandt de grief in zoverre nu de kantonrechter in r.o. 5.24, na de behandeling van elk van de gezichtspunten, een ‘weging’ heeft gedaan die niet anders valt op te vatten dan als een beoordeling waarbij de gezichtspunten in onderlinge samenhang zijn bezien. Of de kantonrechter aan ieder van de gezichtspunten ook het juiste gewicht heeft toegekend zal hierna, bij de verdere behandeling van de grief, beoordeeld worden.

 

 

4.7.

De kantonrechter heeft in zijn oordeel over de (on-)aanvaardbaarheid van het beroep op verjaring door Maersk de zeven gezichtspunten betrokken die de Hoge Raad in Van Hese/Schelde expliciet heeft genoemd. Het hof neemt deze gezichtspunten hierna op telkens met een samenvatting van het oordeel van de kantonrechter bij elk van deze punten.

(a) gaat het om vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, en – mede in verband daarmede – of de gevorderde schadevergoeding ten goede komt aan het slachtoffer zelf, diens nabestaanden dan wel een derde;

De vordering van [appellante] bevat twee componenten: een vordering wegens immateriële schade van € 60.000,– en een vordering van materiële schade van bijna € 11.000,– in hoofdsom. [X] zelf heeft, zeer kort nadat maligne mesothelioom bij hem was geconstateerd en kort voor zijn overlijden, aanspraak op schadevergoeding aan Maersk kenbaar gemaakt, maar tot een vergoeding door Maersk heeft dat niet geleid, omdat Maersk aansprakelijkheid heeft betwist. Aldus komt een toe te kennen schadevergoeding ten goede aan [appellante].

De kantonrechter oordeelde dat dit gezichtspunt geen gewicht toekomt ten gunste van doorbreking van de verjaring.

(b) in hoeverre voor het slachtoffer respectievelijk zijn nabestaanden ter zake van de schade een aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde bestaat;

Aan Van Otterloop is een uitkering toegekend op grond van de Regeling Tegemoetkoming Asbestslachtoffers (TAS) ter hoogte van € 18.106,–. Deze uitkering geldt als een voorschot (een voorwaardelijke uitkering) en dient gerestitueerd te worden indien en voor zover een schadevergoeding van Maersk zal worden ontvangen, zulks tot het bedrag van de ontvangen uitkering. Bij de formulering van de vordering door [appellante] is geen rekening gehouden met de ontvangen uitkering.

De kantonrechter kwam tot het oordeel dat dit gezichtspunt geen gewicht in de schaal legt ten gunste van de doorbreking van de verjaring.

(c) de mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten;

Op grond van een onder ede afgelegde verklaring (van getuige […]) alsmede op basis van een aantal overgelegde verklaringen van ex-werknemers van (één van de rechtsvoorgangers van Maersk) oordeelde de kantonrechter voldoende aannemelijk dat [X] tijdens het uitvoeren van zijn werkzaamheden als tweede stuurman in dienst van VNS in ieder geval kortstondig is blootgesteld aan asbestvezels. [X] heeft zijn reizen voor VNS gemaakt in de periode 1953 tot en met 1965, aldus in een tijdvak ruim voor het verschijnen van het proefschrift van Stumphius in 1969. De blootstelling aan asbest in die periode moet beperkt van omvang zijn geweest gelet op de functie van tweede stuurman, waarbij [X] wel toezicht hield op het laden en lossen (aan het begin en aan het einde van een maanden durende reis) van jutezakken gevuld met asbest. Dat VNS voor [X] geen bijzondere voorzieningen heeft getroffen in verband met de blootstelling aan asbest, leidde er onder deze omstandigheden toe dat VNS/Maersk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt. De kantonrechter concludeerde dat dit gezichtspunt geen houvast biedt voor doorbreking van de verjaring.

(d) in hoeverre de aangesprokene reeds vóór het verstrijken van de verjaringstermijn rekening heeft gehouden of had behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn;

De rechtsvoorganger van Maersk had na 1969 maar voor 1995 (het jaar waarin de objectieve verjaringstermijn in deze zaak is verstreken) al een inventarisatie van mogelijke aansprakelijkheidsgevallen kunnen maken en aldus (bewijs-)materiaal veilig kunnen stellen. Maar gelet op het feit dat de functie van [X] niet voorkomt op de lijst van beroepen, Lijst C bij de Protocollen asbestziekten: maligne mesothelioom (1998) van de Gezondheidsraad, oordeelde de kantonrechter het begrijpelijk dat Maersk niet in een eerder stadium heeft geprobeerd te achterhalen of, en zo ja in welke mate, [X] tijdens zijn dienstverband in relevante mate aan asbest is blootgesteld.

Ook ten aanzien van dit gezichtspunt concludeerde de kantonrechter dat het geen gewicht in de schaal legt ten gunste van doorbreking.

(e) heeft de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid zich tegen de vordering te verweren;

De kantonrechter oordeelde het voorstelbaar dat Maersk gelet op het tijdsverloop sedert de uitdiensttreding van [X], niet meer beschikt over relevante informatie om zich te kunnen verweren en in aanzienlijke mate bemoeilijkt wordt in haar bewijsmogelijkheden. Niet is gebleken dat Maersk zich aan de hand van stukken uit andere (vergelijkbare) aansprakelijkheidsprocedures beschikt over relevante informatie omtrent de dienstbetrekking van [X].

Ook hier was de conclusie van de kantonrechter dat het gezichtspunt geen aanknopingspunt biedt ten gunste van doorbreking van de verjaring.

(f) is de aansprakelijkheid (nog) door verzekering gedekt;

De kantonrechter stelde vast dat Maersk geen beroep meer kan doen op een verzekering, voor zover een dergelijke verzekering heeft bestaan. Maersk heeft aangevoerd dat zij niet beschikt over voldoende middelen om alle ex-werknemers die haar aansprakelijk stellen, te voldoen, maar zij heeft verzuimd dat beroep te onderbouwen. De kantonrechter woog dit gezichtspunt ‘neutraal’ mee.

(g) of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld.

[X] heeft Maersk aansprakelijk gesteld op 17 september 2010, nadat in augustus bij hem maligne mesothelioom was geconstateerd. Hij heeft zich tot het Instituut Asbest Slachtoffers (IAS) gewend. Nadat de bemiddeling door het IAS in januari 2011 was afgerond, heeft de gemachtigde van [appellante] zich in februari 2011 bij Maersk gemeld, en is op 31 mei 2012 gedagvaard. Daardoor is voldoende voortvarend gehandeld. De kantonrechter oordeelde dat dit gezichtspunt gewicht in de schaal legt ten gunste van doorbreking van de verjaring.

 

 

4.8.

[appellante] komt op tegen de weging door de kantonrechter van de gezichtspunten (b) tot en met (e). Het hof bespreekt en weegt deze gezichtspunten, in samenhang met de gezichtspunten (a) en (g) als volgt.

 

 

4.9.

De vordering van [appellante] bedraagt (niet ruim € 61.000,– zoals zij bij memorie van grieven schrijft, maar) bijna € 71.000,–, bestaande uit (in hoofdsom) € 60.000,– wegens immateriële schade en (bijna) € 11.000,– wegens materiële schade. Aan [X] is voor zijn overlijden de (voorwaardelijke) uitkering gedaan die de materiële schade geheel en de (gevorderde) immateriële schade voor een klein deel dekte. Het hof is van oordeel dat het voorwaardelijk karakter van deze uitkering niet met zich brengt dat aan de TAS-uitkering, in het kader van gezichtspunt (b), geen waarde gehecht kan worden. De kennelijke bedoeling van dit gezichtspunt is vast te stellen of de benadeelde, mocht het beroep op verjaring niet (onder invloed van de redelijkheid en billijkheid) doorbroken worden, toch de schade geheel of gedeeltelijk vergoed krijgt. Ontvangt de benadeelde een – niet te verwaarlozen deel – vergoeding van de geleden schade, dan wordt het nadeel dat de verjaring met zich brengt, (deels) verzacht. Het hof is dan ook van oordeel dat, door de substantiële vergoeding die van het IAS is ontvangen, dit gezichtspunt niet wijst in de richting van doorbreking van de verjaring.

 

 

4.10.

Gezichtspunt (c) heeft ten opzichte van de andere gezichtspunten een relatief groot gewicht omdat het de (on-)aanvaardbaarheid van het beroep op verjaring relateert aan wetenschap of gedragingen van (of minstens toe te rekenen aan) de aansprakelijke persoon zelf. Zowel de kantonrechter als partijen hebben uitvoerig aandacht besteed aan de al of niet verwijtbaarheid van het ontstaan van de schade aan Maersk. Daarmee wordt – naar ook het hof zal doen – noodzakelijkerwijs toch in enige mate het terrein van de aansprakelijkheidsvraag betreden.

Niet vast te stellen is bij hoeveel vaarten waarop [X] als stuurman betrokken was, sprake is geweest van het vervoer van asbest in jutezakken. Uit de verklaring van getuige […] wordt duidelijk dat, gelet op de duur van reizen op Zuid- en Oost-Afrika, maximaal zo’n twee reizen per jaar met asbest gemaakt konden zijn. […] verklaarde dat hij betrokken was bij vervoer van asbest in de periode van 1952 tot 1957. Of [X] na 1957 – en voor zijn laatste Afrika-reis in 1965 – nog met asbestvervoer te maken heeft gehad bij VNS, staat niet vast. Het hof gaat er, evenals de kantonrechter deed, vanuit dat [X] in de functie van stuurman tijdens de Afrika-reizen in contact kan zijn gekomen met asbestvezels en wel tijdens het toezicht dat hij hield tijdens het laden en lossen en tijdens (het toezicht op) het stuwen van de lading in het ruim. De vraag is vervolgens of en in hoeverre van Maersk in die periode verlangd kon worden veiligheidsmaatregelen te treffen, ook ten aanzien van [X].

Aan te nemen valt dat reeds voor 1965 bekendheid bestond met ingrijpende gezondheidsproblemen die inademing van asbestvezels kon veroorzaken en dat aldus op werkgevers, zoals VNS, een zorgplicht rustte om werknemers die zulke gezondheidsrisico’s liepen, te beschermen. Was aanvankelijk sprake van een bekend risico voortkomend uit langdurige en intensieve blootstelling aan asbestvezels, later is duidelijk – en algemeen bekend – geworden dat zelfs incidentele blootstelling aan asbest al zou kunnen leiden tot maligne mesothelioom. Over het tijdstip waarop deze bekendheid – in relevante kring – ontstond heeft tussen partijen debat plaatsgevonden. [appellante] voert aan dat “in internationaal verband de relatie tussen blootstelling aan asbest en de ziekte mesothelioom reeds is komen vast te staan in 1960 door de publicatie van Wagner” (Diffuse pleural mesothelioma and asbestos exposure in the North Western Cape Province, Wagner c.s., 1960). Tegenover de betwisting van die bekendheid (voor 1969, het jaar waarin het proefschrift van Stumphius verscheen) door Maersk, die aanvoert zulks niet terug te vinden in de publicatie van Wagner c.s., heeft [appellante] dit standpunt echter onvoldoende onderbouwd. Voor zover [appellante] tijdens het pleidooi heeft bepleit dat deze bekendheid zelfs eerder dan in 1960 bestond, geldt ook daarvoor dat dit (bestreden) standpunt niet is onderbouwd. Dit betekent dat, in het kader van de verwijtbaarheidsvraag, uitgangspunt vormt dat tijdens de vaarten van [X] op Afrika, van (de rechtsvoorganger van) Maersk wel mogelijk verlangd kon worden dat zij veiligheidsmaatregelen trof ter voorkoming van langdurige en intensieve inademing van asbestvezels. Bescherming van de in het arrest HR 25 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1907 Cijsouw/De Schelde (in r.o. 3.6) neergelegde regel (kort samengevat: ook aansprakelijkheid wanneer als gevolg van wel vereiste maar niet getroffen veiligheidsmaatregelen een op dat moment onbekend risico zich verwezenlijkt, tegen welk risico de geëigende veiligheidsmaatregelen bescherming geboden zouden hebben) is in dit geval niet aan de orde. [X] kwam, naar moet worden aangenomen op basis van hetgeen in deze zaak bekend is, slechts incidenteel in aanraking met asbestvezels, zodat voor hem in de periode tot zijn laatste Afrika-reis voor VNS, op basis van de toen bekende asbestrisico’s, geen bijzondere veiligheidsmaatregelen getroffen behoefden te worden.

Het is tegen deze achtergrond dat ook het hof tot de conclusie komt dat van een ernstige verwijtbaarheid aan Maersk (en haar rechtsvoorgangers) geen sprake is. Dit gezichtspunt geeft, op zichzelf beschouwd, om die reden geen aanleiding het beroep op verjaring onaanvaardbaar te oordelen.

 

 

4.11.

Gezichtspunt (d) stelt de vraag aan de orde of rekening gehouden is of moest worden met de mogelijkheid van aansprakelijkstelling voordat de verjaringstermijn was verstreken. De kantonrechter heeft geoordeeld dat weliswaar al voor 1995 werkgevers aansprakelijk werden gesteld voor asbestschade (de kantonrechter doelde daarmee klaarblijkelijk (ook) op schade als gevolg van maligne mesothelioom), maar dat het niet voor de hand lag dat Maersk de (functie van de) heer [X] zou hebben meegenomen in een risico-inventarisatie voor 1995. De kantonrechter verwees daarbij naar de lijst van beroepen (bijlage C) bij de “Protocollen asbestziekten: maligne mesothelioom” van de Gezondheidsraad uit 1998, op welke lijst de functie van [X], stuurman, niet voorkwam.

Het hof gaat er, op basis van de stellingen over en weer, van uit dat Maersk niet daadwerkelijk rekening heeft gehouden met de mogelijkheid door [X] (althans door oud-werknemers die in een vergelijkbare functies werkzaam zijn geweest voor VNS) aansprakelijk te worden gesteld. Het gaat er dus om of Maersk met deze mogelijkheid rekening had behoren te houden. Het hof volgt [appellante] niet in haar pleidooi dat dit het geval is omdat Maersk er al voor 1995 van op de hoogte was dat er in civiele zaken over mesothelioomclaims was geoordeeld en Maersk dus had kunnen weten dat zij ook door asbestslachtoffers onder het personeel zou kunnen worden aangesproken. Van Maersk mocht mogelijk onderzoek naar aansprakelijkheidsrisico’s verlangd worden voor 1995, maar Maersk kan niet verweten worden dat zij zich daarbij heeft (of zou hebben) gericht op technische functies aan boord van de schepen van haar rechtsvoorganger en – zo veronderstelt het hof – op uitvoerende functies. Uit voornoemde Bijlage C moet worden afgeleid dat asbestbesmetting van functionarissen zoals een stuurman niet voor de hand lag. Weliswaar is juist, zoals [appellante] naar voren brengt, dat Bijlage C geen limitatieve opsomming behelst, maar bijzondere omstandigheden die Maersk dwongen om al voor 1995 ook een risicoanalyse op te stellen voor het type functionaris als de stuurman op schepen, zijn echter gesteld noch gebleken, zodat Bijlage C en de daarin vermelde beroepen als houvast kan gelden.

Het gezichtspunt, zo oordeelde de kantonrechter, legt geen gewicht in de schaal ten gunste van doorbreking van de verjaring; tot die conclusie komt ook het hof.

 

 

4.12.

Net als de kantonrechter ten aanzien van gezichtspunt (e) overwoog, acht het hof het goed voorstelbaar dat Maersk, die (onweersproken) verklaard heeft in het geheel niet meer te beschikken over een personeelsdossier en evenmin over reisverslagen van de reizen van [X], zich in dit geding in redelijkheid niet kan verweren tegen de aansprakelijkstelling. Het hof neemt daarbij de uitleg van gezichtspunt (e) door de Hoge Raad in r.o. 3.6 van het arrest HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3138, tot uitgangspunt. Er is ruim 40 jaar verstreken tussen de uitdiensttreding bij VNS van [X] en de (eerste) aansprakelijkstelling van Maersk. Eén getuigenverklaring en enkele schriftelijke verklaringen geven enig beeld over de gang van zaken in destijds bij VNS, maar niet kan gezegd worden dat daarmee voldoende concreet zicht is geboden op de gang van zaken tijdens de reizen die [X] zelf heeft gemaakt op schepen van VNS en over de vraag of, en hoe vaak, [X] zelf betrokken is geweest bij asbestvervoer en of hij daarbij zelf met asbest in aanraking kan zijn gekomen. Gelet op de moeite die [appellante] (en haar zoons) zich hebben getroost om deze informatie te vergaren, ligt het geenszins voor de hand dat Maersk, zo lang nadien en zonder de beschikking te hebben over een personeelsdossier, in staat zou zijn voldoende relevante informatie over (de reizen en reisomstandigheden) van [X] in diens VNS-tijd te vergaren. De enkele omstandigheid dat Maersk verweer heeft gevoerd in mesothelioomprocedures waarin zij eerder betrokken is geweest biedt onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling dat Maersk in deze zaak in staat zou moeten zijn op basis van voldoende feitelijke informatie adequaat verweer te voeren.

 

 

4.13.

Niet weersproken is, in het kader van gezichtspunt (f), dat Maersk niet beschikt over de mogelijkheid terug te vallen op een verzekeringsdekking van (eventuele) aansprakelijkheid: zij weet niet of VNS destijds aansprakelijkheidsverzekering had gesloten en, zo ja, wie de verzekeraar was. Waar het, bij dit gezichtspunt, om gaat is of de gevolgen van een ontnomen beroep op verjaring voor Maersk zullen worden verzacht of weggenomen door een verzekeringsuitkering. Daarvan is aldus geen sprake. Het voert te ver om bij de weging van dit gezichtspunt in de beoordeling te betrekking of het, achteraf beschouwd, (on-)verantwoord is geweest dat VNS destijds geen aansprakelijkheidsverzekering voor schade als de hier gevorderde heeft afgesloten en of aldus besparingen zijn gerealiseerd. Het hof komt er daarom op uit dat dit gezichtspunt tegen de doorbreking van het beroep op verjaring pleit. Zou de huidige financiële positie van Maersk al meegewogen moeten worden in het kader van dit gezichtspunt, dan kan dat er hoogstens toe leiden dat dit gezichtspunt ‘neutraal’ meeweegt.

 

 

4.14.

De kantonrechter heeft ten aanzien van gezichtspunt (g) geoordeeld dat in casu binnen een redelijke termijn aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden én een vordering tot schadevergoeding is ingesteld.

Voor zover Maersk op dit punt incidenteel heeft willen appelleren (zie MvG nr. 106), dan oordeelt het hof dat haar grief niet slaagt. Het hof hanteert, zoals ook de kantonrechter heeft gedaan, de regel dat als ‘redelijke termijn’ geldt de periode van twee jaar vanaf het stellen van de diagnose maligne mesothelioom tot het moment waarop de vordering tot schadevergoeding wordt ingesteld. Daarbij is dus sprake van één termijn, en niet van twee toetsingen op redelijkheid, namelijk eerst ten aanzien van de (eerste) aansprakelijkstelling en vervolgens ten aanzien van de (nadien gevolgde) instelling van een rechtsvordering (zie hieromtrent het Advies Hartlief & Hijma & Snijders van 6 februari 2009, http://www.asbestslachtoffers.nl/docs/Advies%20rapport%20Cie%20Hijma%20februari%202009.pdf).

De weging van alle gezichtspunten: het eindoordeel

 

4.15.

Het hof komt tot de conclusie, met inachtneming van de hiervoor besproken gezichtspunten en alle in dit geding gebleken feiten en omstandigheden, dat er onvoldoende grond is voor de doorbreking van het beroep op verjaring dat Maersk heeft gedaan. Behoudens ten aanzien van de voortvarende aansprakelijkstelling van Maersk pleiten alle overige kenmerken die volgens de gezichtspuntencatalogus van de Hoge Raad van belang zijn, tegen (of: niet voor) doorbreking van het beroep op verjaring. Daarbij weegt voor het hof met name zwaar het gebrek aan informatie over de exacte gang van zaken destijds, van welk gebrek Maersk geen verwijt kan worden gemaakt, en de omstandigheid dat – op basis van wat in dit geding wel als vaststaand heeft te gelden – Maersk geen ernstig verwijt gemaakt kan worden van het ontstaan van de schade.

Deze uitkomst betekent dat ook in hoger beroep een beoordeling van de aansprakelijkheid – meer uitgebreid dan in het kader van gezichtspunt (c) – achterwege kan blijven.

Slotsom

 

4.16.

Het hof zal het vonnis van de kantonrechter bekrachtigen. [appellante] wordt veroordeeld in de kosten van het geding. Zoals verlangd door Maersk wordt aan de kostenveroordeling een veroordeling tot voldoening van de wettelijke rente verbonden te rekenen vanaf tien dagen na de dag waarop dit arrest wordt gewezen en wordt de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Er is geen grond voor een specifieke veroordeling tot voldoening van nakosten, waar immers, zo volgt uit HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116 de kostenveroordeling betrekking heeft op zowel de voor als de na de uitspraak gemaakte kosten, zodat de kostenveroordeling voor alle kosten een executoriale titel oplevert.

 

 

 

5 Beslissing|

Het hof:

 

 

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van 6 juni 2014;

 

 

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan de uitspraak aan de zijde van Maersk begroot op € 1.920,– wegens griffierecht en op € 3.262,– wegens salaris advocaat, deze bedragen verhoogd met de wettelijke rente over het dan nog verschuldigde nadat tien dagen zijn verstreken te rekenen vanaf de dag waarop dit arrest is gewezen;

 

 

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

 

 

 

Dit arrest is gewezen door mrs. H.J. Vetter, V. Disselkoen en C.J. Loonstra en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 september 2015 in aanwezigheid van de griffier.