Jurisprudentie

Rb: geschil uitsluitend over BGK leent zich niet voor deelgeschil, kosten deelgeschil nihil

  • Rechtbank Rotterdam
  • 7 juni 2016
  • ECLI:NL:RBROT:2016:4243
  • 4704356 CV EXPL 15-23414

Benadeelde en verzekeraar leggen in onderling overleg een geschil over BGK voor in deelgeschilprocedure. 1. De kantonrechter toetst ambtshalve of het geschil zich leent voor een deelgeschil en wijst het wijst het verzoek af. Vaststaat dat het enige geschilpunt dat partijen nog verdeeld houdt, de buitengerechtelijke kosten betreft. Voor al het overige hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. De enkele omstandigheid dat het gaat om een deel van het geschil is niet toereikend om verzoekster te kunnen ontvangen in een deelgeschilprocedure. Bepalend is of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. 2. Kosten deelgeschil zijn niet in redelijkheid gemaakt en worden begroot op nihil.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: verzekeraars niet gebonden aan neuropsychologisch expertiserapport vanwege onvoldoende onderbouwde conclusies symptoomvaliditeitstest

  • Ongepubl. jurisprudentie, Rechtbank Rotterdam
  • 6 juli 2016
  • ongepubliceerd
  • C/l 0/482088 / HA ZA 15-825

Benadeelde heeft bij ongevallen in 2007 en 2009 letsel opgelopen. De aansprakelijke verzekeraars vragen om voor recht te verklaren (primair) dat zij niet gebonden zijn aan de expertiserapporten van de neuroloog en de neuropsycholoog. Het bezwaar van de verzekeraars richt zich op de conclusies die de neuropsycholoog aan het geconstateerde onderpresteren van benadeelde verbindt. De rechtbank acht het ter zijde leggen van de positieve uitslag van de symptoomvaliditeitstesten, die normaliter meebrengt dat de overige testresultaten niet betrouwbaar zijn, een in het oog springende eigenaardigheid, die in het rapport onvoldoende is onderbouwd. Bij de argumentatie, begrijpelijkheid en logica van de stelling dat het onderpresteren van benadeelde werd veroorzaakt door frontaal hersenletsel kunnen verschillende kanttekeningen worden geplaatst. Hierdoor is sprake van zodanig zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen het rapport van neuropsycholoog, dat verzekeraars hieraan niet gebonden kunnen worden (r.o. 4.9). Deze beslissing heeft gevolgen voor het rapport van de neuroloog, dat hierop is gebaseerd. Naar het oordeel van de rechtbank is een nieuw neuropsychologisch onderzoek noodzakelijk.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: werkgever aansprakelijk ex art 7:658 BW wegens onvoldoende toezicht op werkplek door chef-monteur

  • Hof Den Bosch
  • 26 juli 2016
  • ECLI:NL:GHSHE:2016:3167
  • 200 174 825_01

Hoger beroep deelgeschil; ongeval 2009. destijds 23 jarige werknemer van installatiebedrijf knipt stroomdraad door die onder spanning blijkt te staan. Hij moet zich losrukken, valt daarbij van ladder en raakt arbeidsongeschikt. Het hof acht–anders dan de kantonrechter- de werkgever aansprakelijk ex art 7:658 BW. Het hof weegt daarbij de volgende factoren: het gaat om een jonge, nog niet zeer ervaren monteur, die buiten het eigen bedrijf onder leiding van een zeer ervaren chef-monteur werkte die elders op die locatie werkzaam was. Hoewel hij een duspol bij zich had heeft hij deze niet gebruikt om de spanning te controleren. Werknemer heeft, door niet met de duspol te controleren of de spanning eraf was, een domme fout gemaakt. Dat geldt zelfs indien er geen instructie zou zijn gegeven om dat altijd te controleren, maar dit levert nog geen opzet of bewuste roekeloosheid op. Het hof oordeelt dat de werkgever niet al het redelijkerwijs mogelijke gedaan om te voorkomen dat aan werknemer een ongeval zou overkomen. Met name ontbrak het aan toezicht op de werkplek zèlf, terwijl dat toezicht wel uitgevoerd had kunnen worden nu er een ervaren collega in de buurt was. Werkgever diende haar bedrijfsvoering aldus in te richten dat op de feitelijke werkplek zelf werd toegezien op de noodzaak om vooraf de spanning te meten, ook als de werknemer meende dat de spanning eraf was gehaald.
Concreet: de chef-monteur kon niet volstaan met de vraag of werknemer de spanning van de installatie had gehaald, hij had ook moeten zeggen dat werknemer dat nog wel op de plaats waar de werkzaamheden werden uitgevoerd diende te controleren (zie r.o 3.5.14 ev) .

Lees verder

Jurisprudentie

Rb, deelgeschil: verklaring voor recht over overwerkwerk en voorschot op BGK afgewezen

  • Rechtbank Oost-Brabant
  • 21 juli 2016
  • ECLI:NL:RBOBR:2016:3870

Benadeelde vraagt in deelgeschil na voorlopig getuigenverhoor o.a. een verklaring voor recht dat hij voor het ongeval zwart overwerk verrichtte en vergoeding hiervan. De kantonrechter wijst het verzoek af. De stelling van benadeelde dat hij structureel overwerk verrichtte kan niet als vaststaand worden aangenomen, nu deze gemotiveerd wordt betwist. Er is derhalve nadere bewijslevering nodig, waarvoor binnen de kaders van het deelgeschil geen plaats is. 2. De kantonrechter wijst het verzoek om € 29.941,42 ter zake van BGK te vergoeden, bovenop het reeds uitgekeerde voorschot ad € 20.000,- wordt afgewezen. Bij de beoordeling van de dubbele redelijkheidstoets dient de omvang van de schade als één van de in aanmerking te nemen aspecten te worden meegewogen. De kantonrechter constateert dat op basis van de verstrekte (medische) informatie, de totale omvang van de schade niet, ook niet bij benadering, kan worden geschat. Bij gebreke van voldoende inzicht in de omvang van de schade – de schaderegeling verkeert nog in de beginfase en er dienen nog expertise onderzoeken plaats te vinden – kan derhalve niet worden beoordeeld of de BGK als in redelijkheid gemaakte kosten aan de verzekeraar kunnen worden toegerekend. 3. Kosten deelgeschil: € 5.695,60.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: geen eigen schuld wegens vastpakken loslopende hond in aanlijngebied

  • Rechtbank Amsterdam
  • 14 juli 2016
  • ECLI:NL:RBAMS:2016:4523
  • EA VERZ 16-542

Art 6:179 BW. Tijdens uitlaten van haar hond in een aanlijngebied wordt verzoekster geconfronteerd met een loslopende hond die haar hond probeert te benaderen. Om dit te voorkomen pakt verzoekster de halsband van de voor haar onbekende hond vast. Zij komt daarbij ten val en breekt haar heup heeft. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de eigenaar van de loslopende hond erkent aansprakelijkheid maar heeft 50% eigen schuld aan verzoekster toegerekend. De kantonrechter overweegt dat het ongeluk is gebeurd in een aanlijngebied. Het ongeval is niet (mede) te wijten aan het gedrag van hond van verzoekster, maar enkel aan de omstandigheid dat de hond van verweerster niet was aangelijnd. De omstandigheid dat verzoekster de hond van verweerster bij zijn halsband heeft vastgepakt is een logische en geen roekeloze reactie en dus geen gedraging die aan haar kan worden toegerekend zoals bedoeld in art. 6:101 BW.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: ‘no cure no pay’-overeenkomst niet in strijd met goede zeden, geen misbruik van omstandigheden, geen dwaling

  • Hof Amsterdam
  • 20 juli 2016
  • ECLI:NL:GHAMS:2016:2899
  • 200.160.258/01

Ongeval 1998. Benadeelde (appellant) gaat, omdat hij niet tevreden is over het resultaat van zijn belangenbehartiger naar andere belangenbehartiger (geïntimeerde) en sluit in 2005 een ‘schaderegelingsovereenkomst’ op basis van ‘no cure no pay’. De tweede belangenbehartiger houdt een honorarium van € 45.458,- (20%) in op de schade-uitkering. 1. Het hof acht de schaderegelingsovereenkomst niet nietig wegens strijd met de goede zeden en de goede openbare orde ex art. 3:40 lid 1 BW. De omstandigheid dat verzekeraar aan de eerste advocaat heeft laten weten bereid te zijn de zaak te regelen voor € 200.000,- leidt niet tot een ander oordeel. Niet is immers komen vast te staan dat de tweede belangenbehartiger daarmee bekend was. Het hof verwerpt het verweer dat de tweede belangenbehartiger haar zou hebben moeten uitleggen dat indien hij er niet in zou slagen de slotuitkering hoger te krijgen dan € 200.000,-, zij er per saldo flink op achteruit zou gaan (zie r.o. 3.5). 2. Het hof oordeelt dat
de schaderegelingsovereenkomst niet vernietigd behoeft te worden wegens misbruik van omstandigheden als in art. 3:44 lid 3 BW bedoeld. Benadeelde stelt dat zij onervaren was; een nadere toelichting heeft zij echter niet gegeven (zie r.o. 3.6). 3. Het beroep van benadeelde op dwaling faalt eveneens.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: BV niet aansprakelijk voor schade directeur/groot aandeelhouder door blootstelling aan asbest

  • Rechtbank Midden-Nederland
  • 13 juli 2016
  • ECLI:NL:RBMNE:2016:3838
  • C/16/408803 / HAZA 16-90 LH/1040

RECTIFICATIE: In de nieuwsbrief van 24 juli 2016 was een verkeerde samenvatting opgenomen bij deze uitspraak. Hierbij nogmaals de uitspraak, nu met de goede samenvatting. Excuses.
Benadeelde is vanaf 1977 directeur/groot aandeelhouder (DGA) van loodgietersbedrijf. In 2012 is bij hem mesothelioom vastgesteld en heeft hij de BV aansprakelijk gesteld ex art 7:658 BW wegens blootstelling aan asbest. 1. Verjaring. De rechtbank oordeelt dat de vordering t.a.v. gebeurtenissen die plaats hebben gevonden vóór 1982 (30 jaar vóór de aansprakelijkheidsstelling) is verjaard. De rechtbank toetst vervolgens aan de gezichtspunten van HR 28 april 2000 NJ 2000, 430 (/De Schelde) en concludeert dat een beroep op verjaring niet in strijd is met de redelijkheid. 2. T.a.v. de periode ná 1982 oordeelt de rechtbank dat de schuldaansprakelijkheid die art 7:658 BW voor de werkgever jegens zijn werknemers in het leven roept zich moeilijk laat denken in een geval als het onderhavige, waarin de gelaedeerde werknemer, die tevens feitelijk leidinggevende de hoogste beleidsbepaler is, zijn werkgever aansprakelijk houdt voor schade die hij heeft geleden doordat niet de redelijkerwijs van deze te vergen veiligheidsmaatregelen zijn getroffen. Waar algemeen wordt aangenomen dat de werkgever geen verwijt kan worden gemaakt indien de – ervaren en geïnstrueerde – werknemer er welbewust voor kiest om geen gebruik te maken van door de werkgever ter beschikking gestelde veiligheidsvoorzieningen, klemt zulks temeer in de situatie van benadeelde, die zelf in zijn kwaliteit van beleidsbepaler de werkomstandigheden bepaalde en daarop moest toezien. Het ligt in het onderhavige geval niet in de rede om rekening te houden met het ervaringsfeit dat het dagelijks werken in een gevaarlijke werkomgeving gemakkelijk met zich mee kan brengen dat niet alle voorzichtigheid in acht wordt genomen. De rechtbank oordeelt dat het bovendien in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid die een directeur/ grootaandeelhouder jegens de vennootschap in acht dient te nemen, dat benadeelde zijn vennootschap aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt doordat hijzelf zijn taak als bestuurder niet naar behoren heeft uitgevoerd. (zie r.o. 4.10). Vordering afgewezen.

Lees verder

Vaknieuws

Mastercourse Aansprakelijkheid en Verzekering voor professionals

  • 20 juli 2016
  • Erasmus University Rotterdam
erasmus universiteit

In september 2016 gaat bij de Erasmus University Rotterdam de mastercourse Aansprakelijkheid en Verzekering voor professionals van start. De mastercourse bestaat uit een zestal inhoudelijke bijeenkomsten en is gericht op professionals die reeds enige ervaring hebben opgedaan binnen dit rechtsgebied en behoefte hebben aan wetenschappelijke verdieping. Hoofddocenten zijn: prof. mr. S.D. Lindenbergh en prof. mr. N. van Tiggele-Van der Velde.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: val in badkamer twee jaar na ongeval: deskundigenbericht gelast ter vaststelling causaliteit

  • Hof Arnhem-Leeuwarden
  • 12 juli 2016
  • ECLI:NL:GHARL:2016:5667
  • 200.088.742

Benadeelde loopt in 1995 letsel op bij aanrijding en in 1997 bij val in badkamer. Zij is er niet in geslaagd te bewijzen dat de val komt door de gevolgen van het eerste ongeval. Het hof overweegt dat dit echter niet uitsluit dat de val in de badkamer, die voor risico van benadeelde moet blijven, wat betreft haar arbeidsongeschiktheid een inhalende oorzaak is geweest. Alleen voor zover zich samenloop voordoet, zouden de gevolgen van de aanrijding sedert de val in de badkamer niet meer zijn toe te rekenen aan het eerste ongeval Hierover wil het hof worden voorgelicht door middel van aanvullende vragen aan de verzekeringsgeneeskundige en de arbeidsdeskundige in reeds aangekondigde deskundigenonderzoek.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: Parochie aansprakelijk ex art. 7:658 lid 4 BW voor val vrijwilliger van dak

  • Hof Arnhem-Leeuwarden
  • 28 juni 2016
  • ECLI:NL:GHARL:2016:5294
  • 200.159.986

Vrijwilliger van ‘klusgroep’ in Parochie, valt bij het plaatsen van verlichting op het dak van de kerk 3 meter naar beneden en loopt een dwarslaesie op. Hij stelt de Parochie aansprakelijk ex art. 7:658 lid 4 BW. De Parochie stelt dat er geen sprake is van bedrijfsuitoefening door de Parochie. 1. Het hof is, evenals de kantonrechter, van oordeel dat sprake is van bedrijfsuitoefening in de zin van artikel 7:658 lid 4 BW. Het hof oordeelt dat “de uitoefening van het beroep of bedrijf” meer omvat dan het primaire proces van bedrijfsvoering (in dit geval: het belijden van het katholieke geloof) en dat ook ondersteunende werkzaamheden zoals onderhoud en reparatie hieronder vallen. 2. Naar het oordeel van het hof heeft de Parochie onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot het oordeel dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht van artikel 7:658 lid 1 BW. Ook volgens haar eigen stellingen heeft zij benadeelde geen (algemene en/of specifieke) veiligheidsinstructies gegeven (bijvoorbeeld door hem te waarschuwen voor het niveauverschil op het dak) noch heeft zij (algemene en/of specifieke) veiligheidsmaatregelen getroffen (bijvoorbeeld door het plaatsen van een steiger). Het hof acht de Parochie aansprakelijk.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: art 7:658 BW niet val toepassing op overheidspersoneel, Universiteit niet aansprakelijk voor val werknemer over losse kabel

  • Rechtbank Rotterdam
  • 13 juli 2016
  • ECLI:NL:RBROT:2016:5297
  • C/10/485817 / HA ZA 15-1011

Werknemer van Universiteit komt op weg naar parkeergarage ten val over losliggende kabel van een kabelhaspel, waarbij hij rug-, pols- en psychische klachten oploopt. Hij stelt de Universiteit aansprakelijk ex art 7:658 BW, art 6:174 BW, art. 6:173 en art. 6:162 BW. 1. De rechtbank oordeelt werknemer geen beroep kan doen op art 7:658 BW, aangezien in art. 7:615 BW is bepaald dat titel 10 van boek 7 van het BW (waar art. 7:658 BW onderdeel van uitmaakt) niet van toepassing is op personen in overheidsdienst. 2. Aansprakelijkheid ex art 6:174 BW, art. 6:173 en art. 6:162 BW wordt eveneens afgewezen.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: babyverwisseling in 1953; beroep op verjaring niet onaanvaardbaar

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant
  • 6 juli 2016
  • ECLI:NL:RBZWB:2016:4068
  • C/02/308817 / HA ZA 15-808

Benadeelde heeft in 2013 door DNA-onderzoek ontdekt dat hij in 1953 als baby is verwisseld. Hij heeft in 2015 het ziekenhuis aansprakelijk gesteld. De verjaringstermijn van 30 jaar is toepasselijk, zodat deze in 1983 is volgelopen. Benadeelde stelt dat een beroep op de absolute verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (HR 28 april 2000, ECLI:NL: HR:2000:AA56350). De rechtbank stelt voorop dat zij vanuit persoonlijk perspectief van benadeelde alleszins begrijpt dat de uitzonderlijke omstandigheid dat hij ná een periode van 60 jaar ongevraagd geconfronteerd is met het feit dat hij als baby is verwisseld een bijzondere impact heeft op zijn leven. De rechtbank toetst aan de gezichtspunten va het arrest van de Hoge Raad en concludeert dat geen enkel gezichtspunt evident vóór de door benadeelde gewenste doorbreking van de verjaring spreken, behoudens gezichtspunt b. De enkele omstandigheid dat benadeelde ogenschijnlijk geen aanspraak kan maken op schadevergoeding of een uitkering uit andere hoofde is naar het oordeel van de rechtbank echter niet een omstandigheid die dermate zwaar gewicht in de schaal legt, dat dit dient te leiden tot doorbreking van meergenoemde verjaringsregel.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: bodemprocedure na deelgeschil over whiplash: rechtbank vraagt neuroloog om nadere toelichting

  • Rechtbank Amsterdam
  • 1 juni 2016
  • ECLI:NL:RBAMS:2016:3753
  • C/13/592556 / HA ZA 15-767

Whiplash; bodemprocedure na deelgeschil over causaal verband. In het deelgeschil is beslist dat het bewijs van causaal verband niet geleverd is. Omdat het deelgeschil zich naar haar aard niet leent voor (nadere) bewijslevering, leidde die beslissing tot afwijzing van het verzochte. Dat betekent niet dat sprake is van een bindende eindbeslissing. Naar het oordeel van de rechtbank in het deelgeschil gaat het rapport van de neuroloog verder dan de vaststelling dat de neuroloog geen beperkingen kan vaststellen, maar verwerpt de neuroloog de diagnose Whiplash en stelt hij dat de nekbewegingen volkomen normaal zijn. Benadeelde acht deze uitleg onjuist. De rechtbank wil in de bodemprocedure duidelijkheid verkrijgen over de vraag of de neuroloog, binnen de grenzen van zijn specialisme, in zijn rapport de diagnose Whiplash heeft verworpen, en zo ja of daaruit volgt dat medisch causaal verband uitgesloten is of – gelet op de voor neurologen geldende richtlijnen – dat medisch causaal verband niet kan worden vastgesteld. Artikel 200 lid 4 Rv biedt de mogelijkheid dat een niet door de rechtbank benoemde deskundige een nadere mondelinge toelichting geeft op zijn rapport. De rechtbank verzoekt de neuroloog op de voet van art. 200 lid 4 Rv om een mondelinge toelichting te geven op zijn rapport.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: struikelen en daarbij benadeelde meenemen in val is niet onrechtmatig jegens benadeelde

  • Hof Den Bosch
  • 28 juni 2016
  • ECLI:NL:GHSHE:2016:2628
  • 200.178.845_01

Vriend van benadeelde (geïntimeerde) loopt vanaf terras naar binnen naar het privé-zwembad van benadeelde (appellant), struikelt, komt daarbij in botsing met benadeelde, die daardoor op de stenen vloer valt en letsel oploopt. 1. De rechtbank overweegt dat als iemand struikelt en daarbij een ander meeneemt, dat uiterst onaangenaam is voor beide betrokkenen, maar dat enkele gegeven niet met zich meebrengt dat de struikelaar aansprakelijk is voor de schade aan degene die hij mede onderuit heeft gehaald. Dit kan mogelijk anders zijn indien het gedrag van de struikelaar zo roekeloos is geweest dat ofwel hij heeft kunnen, en moeten, voorzien dat ook derden betrokken zouden kunnen raken. 2. Het hof acht de Kelderluikcriteria minder hanteerbaar, omdat die criteria zien op een potentieel onveilige of gevaarlijke situatie, terwijl in dit geval veeleer sprake is van een – gestelde – gevaarlijke gedraging. 3. Het hof concludeert dat het leven van alledag onwerkbaar wordt indien te allen tijde van iedereen de hoogste zorgvuldigheid en oplettendheid zou worden geëist. In het onderhavige geval ware het wenselijk geweest indien geïntimeerde een grotere mate van oplettendheid en behoedzaamheid in acht had genomen, maar dat hij dat niet heeft gedaan maakt zijn gedrag nog niet onrechtmatig jegens benadeelde.

Lees verder

Persbericht: Financiële tegemoetkoming van overheid voor nabestaanden dood door schulddelicten

  • Overige organisaties
  • 1 juli 2016
  • Schadefonds Geweldsmisdrijven
logo schadefonds geweldsmisdrijven

Vanaf 1 juli 2016 kunnen nabestaanden van slachtoffers van dood door schulddelicten in het verkeer en algemene dood door schulddelicten in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming uit het Schadefonds. Dit is geregeld in een wijziging van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven. Het complex aan gevolgen voor nabestaanden van slachtoffers die door een ernstig verkeersmisdrijf of door dood door schuld zijn overleden, is zeer vergelijkbaar met de gevolgen voor nabestaanden van slachtoffers van geweldsmisdrijven. Door een tegemoetkoming van het Schadefonds wordt het leed dat deze nabestaanden is aangedaan erkend.

Lees verder