Jurisprudentie

Hof: vragen aan deskundige zonder overleg buiten beschouwing, rechter vrij in waardering partij-deskundige

  • Hof Den Bosch
  • 9 augustus 2016
  • ECLI:NL:GHSHE:2016:3619
  • 200.182.121_01

Ongeval 1975, hersenletsel; causaal verband tussen beperkingen in 2008 en ongeval? In het hoger beroep (na deelgeschil) gaat het om de vraag of benadeelde (appellant) gebonden is aan het rapport neuroloog 2 en/of de verzekeraar uit dient te gaan van de rapportage van neuropsycholoog 2 dan wel dient mee te werken aan een nieuw deskundigenbericht. 1. Het hof laat -evenals de rechtbank- de antwoorden die neuropsycholoog 2 aan appellant heeft gegeven op de zonder overleg met verzekeraar gestelde nadere vragen, buiten beschouwing. Naar het oordeel van het hof dient dergelijke (op deze wijze verkregen) informatie in beginsel buiten beschouwing te worden gelaten. 2.Indien het standpunt van een door een partij geraadpleegde deskundige afwijkt van dat van de door de rechter benoemde deskundige, behoeft de rechter zijn beslissing om de zienswijze van de laatstgenoemde deskundige te volgen in het algemeen niet verder te motiveren dan door te overwegen dat de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend overkomt. Wel zal de rechter moeten ingaan op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door de rechter benoemde deskundige. Naar het oordeel van het hof geldt dit ook in de situatie, waarin het standpunt van een door een partij geraadpleegde deskundige afwijkt van dat van een op gemeenschappelijk verzoek van partijen rapporterende deskundige. (r.o.3.8.3). Het hof is vrij in de waardering van de uitgebrachte rapportage. 3. Het hof acht zich onvoldoende voorgelicht en wenst nadere toelichting op rapport neuroloog en neuropsycholoog door deze deskundigen en gelast daartoe een meervoudige comparitie.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: buurman gooit uitwerpselen over schutting: smartengeld € 5000,-

  • Rechtbank Zeeland-West-Brabant
  • 29 juni 2016
  • ECLI:NL:RBZWB:2016:3984
  • C/02/288686 / HA ZA 14-736

Vroegere buurman (gedaagde) heeft jarenlang (menselijke) uitwerpselen, etenswaren en overige zaken over de schutting van eiser gegooid en geluidsoverlast bezorgd. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser door het onrechtmatig handelen van gedaagde ernstig aangetast in zijn woongenot. De rechtbank wijst de kosten van een psycholoog, vergoeding voor gederfd woongenot (€ 14.531,-) en een smartengeld van € 5000,- toe.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb, deelgeschil: benadeelde met overgewicht moet patiëntenkaart overleggen

  • Rechtbank Midden-Nederland
  • 27 juli 2016
  • ECLI:NL:RBMNE:2016:4516
  • C/16/409963 / HA RK 16-30

Verzoekster verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren dat haar nek-, rug- en liesklachten juridisch in causaal verband staan tot het ongeval van 2010. De rechtbank oordeelt dat het causaal verband tussen het ongeval en haar klachten aan onderrug en linker lies nog niet onmiskenbaar duidelijk blijkt uit de rapportages van de ingeschakelde deskundigen (orthopeed en neuroloog). Uit die rapportages blijkt evenmin onmiskenbaar duidelijk dat dit causaal verband ontbreekt. Het staat vast dat in 2006 bij verzoekster een maagband is geplaatst. Een dergelijke ingreep duidt op het bestaan van een significant overgewicht. Een dergelijk overgewicht gaat in het algemeen niet zelden gepaard met medische problematiek zoals (onder-)rugklachten. Aangezien partijen de deskundigen hebben benoemd en zij zich aan hun oordeel hebben gerefereerd, overweegt de rechtbank dat het van belang is om aan de deskundigen hen, , de patiëntenkaart ter beschikking te stellen. Gelet op de omstandigheid dat de maagband vier jaar voor het ongeval is geplaatst, en de situatie daaraan voorafgaand relevant kan zijn voor de aanvullende beoordeling door de deskundigen, is de rechtbank van oordeel dat de aan hen over te leggen patiëntenkaart in ieder geval alle informatie tot acht jaar voorafgaand aan het ongeval dient te bevatten.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb, deelgeschil: rechtbank verklaart zich onbevoegd in zaak van ambtenaar

  • Rechtbank Midden-Nederland
  • 27 juli 2016
  • ECLI:NL:RBMNE:2016:4515
  • C/16/416037 / HA RK 16-104

Verzoeker, ambtenaar, spreekt –nadat hem duidelijk is geworden dat hij als ambtenaar geen beroep kan doen op art 7:658 BW- in deelgeschil gemeente als werkgever op basis van art 6:162 BW. De rechtbank verklaart zich onbevoegd. De rechtbank overweegt dat op 1 juli 2013 de Wet nadeelscompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten in werking is getreden. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is sindsdien de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd om te oordelen over de vergoeding van schade aan een ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet, als die schade is ontstaan in de relatie tussen de ambtenaar en het overheidslichaam. Een keuzemogelijkheid tussen de civiele rechter en de bestuursrechter is hiermee komen te vervallen.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: leerling ROC loopt letsel op door glazen klapdeur, bewijslast dat glas niet voldeed aan NEN-norm op leerling

  • Rechtbank Gelderland
  • 20 juli 2016
  • ECLI:NL:RBGEL:2016:4565
  • 297071

Leerling kappersopleiding ROC verlaat in 2008 geïrriteerd het examenlokaal door klapdeur met ruiten en breekt daarbij met zijn rechterarm door het glas. Hij loopt hierbij , peesletsel op. De rechtbank oordeelt dat van ROC naar maatstaven van zorgvuldigheid verwacht mocht worden dat zij de klapdeur had voorzien van glas dat aan de NEN-norm voldeed teneinde de gevolgen van een eventueel ongeluk te beperken en dat zij voor zover zij dat niet heeft gedaan onrechtmatig heeft gehandeld. Dat toepassing van de des betreffende NEN-norm niet wettelijk verplicht is doet daar net aan af. Nu ROC betwist dat de klapdeur voorzien was van dat niet aan de NEN 3569-norm voldeed, dient eerst te worden vastgesteld of dit het geval was. De bewijslast daarvan ligt op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv bij eiser. De rechtbank draagt eiser op te bewijzen dat ten tijde van het ongeluk in de klapdeur geen veiligheidsglas zat dat voldeed aan de NEN 3569 norm.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: deskundigenbericht over berekenen overlijdenschade naar Oostenrijks recht, geen smartengeld

  • Rechtbank Gelderland
  • 6 juli 2016
  • ECLI:NL:RBGEL:2016:4521
  • 277812

de rechtbank onvoldoende inzicht bestaat in de regels die naar Oostenrijks recht gelden bij het bepalen van de omvang van een vergoedingsplicht in een overlijdensschade. De rechtbank is daarom voornemens een deskundige te benoemen (r.o 3.8). 2. Geen smartengeld. Naar Oostenrijks recht is voor vergoeding van zielenpijn vanwege verlies van een naaste verwant, die niet tot eigen gezondheidsschade heeft geleid, slechts plaats bij grove schuld of opzet van de veroorzaker. Hiervan is geen sprake (r.o 3.17).

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: benadeelde onderneemt niets om herstel te bevorderen: verlies van arbeidsvermogen niet toe te rekenen aan het ongeval

  • Hof Arnhem-Leeuwarden
  • 28 juni 2016
  • ECLI:NL:GHARL:2016:5222
  • 200.152.845

Ongeval 2000, toen 18-jarige jongen heeft enkelletsel opgelopen bij verkeersongeval. Hij werkte toen bij zijn vader (als leerling-monteur) in diens garage. 1. Het hof constateert dat benadeelde geen (noemenswaardige) activiteiten ontplooid om te revalideren. Hij heeft ook geen contact gezocht met zijn huisarts. Uit de arbeidsdeskundige rapportage, die inhoudelijk niet is bestreden, blijkt dat benadeelde mogelijkheden heeft om duurzaam inkomen te verwerven, maar dan wel in andere, passende functies. Het hof stelt vast dat benadeelde niet of nauwelijks heeft geprobeerd om zijn herstel te bevorderen dan wel zijn mogelijkheden te onderzoeken om financieel onafhankelijk van zijn ouders te worden door ander passend werk te zoeken. Het hof overweegt dat vergoeding voor geleden (inkomens)schade slechts in aanmerking komt indien deze (inkomens)schade in zodanig verband staat met het ongeval de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis, dat deze schade als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend (art 6:98 BW). De door benadeelde gestelde inkomensschade kan naar het oordeel van het hof niet aan het ongeval worden toegerekend, nu benadeelde het zelf in de hand heeft (gehad) om op andere hem passende wijze duurzaam inkomen te genereren door zich bijvoorbeeld om te scholen of binnen het bedrijf van zijn vader passend werk te verrichten. Dat hij hiervoor niet gekozen heeft staat hem vrij, doch dat betekent ook dat hij zijn inkomensschade niet op de verzekeraar kan afwentelen (zie r.o. 3.9). 2. BGK diverse belangenbehartigers 3. Smartengeld; € 7500,-.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb, deelgeschil: geen overeenstemming over slotbetaling van € 75.000,-, nu aanbod door verzekeraar is herroepen; kosten deelgeschil afgewezen

  • Rechtbank Midden-Nederland
  • 20 juli 2016
  • ECLI:NL:RBMNE:2016:4186
  • C/16/412717 / HA RK 16-67

Verzekeraar heeft een slotbetaling van € 75.000,- aangeboden. Partijen twisten over de vraag of benadeelde dit aanbod tijdig heeft aanvaard. 1. Niet in geschil is dat de belangenbehartiger namens benadeelde het e-mailbericht van verzekeraar van 12 oktober 2015 heeft ontvangen, waarin met zoveel woorden is vermeld dat het aanbod is herroepen (in de woorden van verzekeraar: “definitief vervallen”). Belangenbehartiger heeft namens benadeelde erkend dat het voorstel niet eerder is aanvaard dan 20 oktober 2015. De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat het aanbod een (toen nog niet verstreken) termijn voor de aanvaarding inhield, of dat de onherroepelijkheid op andere wijze uit het aanbod volgt. Daarom moet worden geoordeeld dat het verzekeraar vrijstond haar aanbod te herroepen. Partijen hebben dus geen overeenstemming bereikt over de slotuitkering van € 75.000,-. Verzoek afgewezen. 2. Kosten deelgeschil: kosten begroot op € 3.000,- all-in (gevorderd: € 4.930,90), maar afgewezen nu het verzoek is gebaseerd op een vermeende, maar niet gebleken contractuele grondslag.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: wegbeheerder niet aansprakelijk voor letsel fietser door botsing met middengeleider

  • Rechtbank Midden-Nederland
  • 20 juli 2016
  • ECLI:NL:RBMNE:2016:4184
  • C/16/404383 / HA ZA 15-929

Benadeelde fietst tegen middengeleider op fietspad, waarop een gele verkeerszuil was geplaatst met een rond blauw verkeersbord met een witte pijl; zij loopt daarbij (blijvend) letsel op. Zij stelt de gemeente als wegbeheerder aansprakelijk ex art 6:174 BW. De rechtbank overweegt dat van een gebrek sprake is indien de weguitrusting naar objectieve maatstaven gemeten niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor een gevaar oplevert voor personen of zaken. Naar het oordeel van de rechtbank was het gerechtvaardigd om ter plaatse een obstakel te plaatsen. De gemeente heeft destijds gekozen voor een obstakel in de vorm van een paaltje op een middengeleider. Dat was toen, ondanks het ontbreken van de thans bepleite ribbelmarkering, niet in strijd met de aanbevelingen van CROW en niet onrechtmatig. De omstandigheid dat de middengeleider ná het ongeval is verwijderd, doet aan het voorgaande niet af, aangezien de gemeente destijds gerechtvaardigd voor de middengeleider heeft mogen kiezen. De rechtbank overweegt voorts dat een obstakel in het verkeer niet ongewoon is. In het algemeen moet door verkeersdeelnemers steeds rekening worden gehouden met obstakels, ook door fietsers op een fietspad.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: meubelmaker niet geslaagd in bewijs dat sprake was van arbeidsovereenkomst; geen rechtsvermoeden ex art. 7:610a BW, geen situatie ex art. 7:658 lid 4 BW

  • Hof Den Bosch
  • 19 juli 2016
  • ECLI:NL:GHSHE:2016:3080
  • 200.151.359/01

Meubelmaker loopt letsel op en stelt het meubelbedrijf aansprakelijk ex art 7:658 BW. Het meubelbedrijf betwist dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank de meubelmaker opgedragen te bewijzen dat dat ten tijde van het ongeval in 2007 sprake was van (het rechtsvermoeden van) een arbeidsovereenkomst dan wel van een situatie als bedoeld in art. 7:658 lid 4 BW. (In art. 7:610a BW is bepaald dat hij die ten behoeve van een ander tegen beloning door die ander gedurende drie opeenvolgende maanden, wekelijks dan wel gedurende ten minste twintig uren per maand arbeid verricht, wordt vermoed deze arbeid te verrichten krachtens arbeidsovereenkomst.) Het hof komt na het horen van verschillende getuigen tot de conclusie dat de meubelmaker geen beroep kan doen op het rechtsvermoeden van art. 7:610a BW en dat hij niet heeft bewezen dat het meubelbedrijf hem arbeid heeft laten verrichten als bedoeld in art. 7:658 lid 4 BW.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb, deelgeschil: ambtenaar niet ontvankelijk in verzoek op basis van art 7:658 BW, geen gebrekkig opstal

  • Rechtbank Den Haag
  • 14 juli 2016
  • ECLI:NL:RBDHA:2016:7954
  • C/09/499332 / HA RK 15-503

Verzoeker, ambtenaar in dienst van gemeente, valt tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden in oliehok. Hij stelt dat hij is uitgegleden op de vloer van het oliehok, die glad was als gevolg van zeep- en waterresten. Hij acht de gemeente aansprakelijk ex art 7:658 BW en artt. 6:174 BW, 6:181 BW, 6:170 BW. 1. De rechtbank verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek m.b.t. de grondslag van art.7:658 BW (ook niet op basis van analoge toepassing), nu verzoeker ambtenaar is. 2. De verzoeken gegrond op aansprakelijkheid van de Gemeente voor een gebrekkige opstal dan wel voor haar werknemers, worden eveneens afgewezen. De verklaringen van de diverse getuigen bieden onvoldoende steun om de juistheid te aanvaarden van de stelling van verzoeker dat de vloer glad is geweest als gevolg van zeep- en waterresten, zodanig dat er – ook met het gebruik van veiligheidsschoenen – een gevaar voor uitglijden bestond. 3. Kosten deelgeschil: deelgeschil niet volstrekt onnodig; kosten vastgesteld op € 5.725,46 (maar afgewezen).

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: collectieve actie FNV tegen werkgever slaagt niet, omdat geen sprake is van gelijksoortige belangen

  • Rechtbank Gelderland
  • 29 juli 2016
  • ECLI:NL:RBGEL:2016:4141
  • 4929105

FNV vordert op basis van art. 3:305a BW (collectieve actie) een verklaring voor recht dat werkgever Smit Draad onrechtmatig heeft gehandeld door haar werknemers bloot te stellen aan arbeidsomstandigheden die schadelijk kunnen zijn geweest voor haar werknemers en dat zij aansprakelijk is ex art 7:658 BW voor de schade. 1. De kantonrechter oordeelt dat de vordering te algemeen is geformuleerd. Een werknemer, die Smit Draad aansprakelijk wil stellen voor geleden schade, zal duidelijk moeten maken in welke periode en met welke schadelijke stoffen hijzelf op het werk in aanraking is gekomen. Bij een individuele aansprakelijkstelling zal de gevorderde verklaring voor recht de werknemer niet verder helpen. Immers zal de individuele (ex-)werknemer van Smit Draad nog steeds specifiek moeten bewijzen met welke gevaarlijke stoffen en/of onder welke gevaarlijke omstandigheden hij heeft gewerkt om daarna een verband tussen die specifieke omstandigheden en zijn (specifieke) gezondheidsklachten te kunnen aantonen als hiervoor beschreven. De kantonrechter concludeert dat de gevorderde verklaring voor recht niet strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen en daarom niet voldoet aan de eisen die art. 3:305a BW stelt voor het kunnen instellen van een collectieve actie. FNV wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. 2. De vordering dat Smit Draad een gelaatsmasker ter beschikking moet stellen aan werknemers in de laktoren wordt wel toegewezen.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: geschil uitsluitend over BGK leent zich niet voor deelgeschil, kosten deelgeschil nihil

  • Rechtbank Rotterdam
  • 7 juni 2016
  • ECLI:NL:RBROT:2016:4243
  • 4704356 CV EXPL 15-23414

Benadeelde en verzekeraar leggen in onderling overleg een geschil over BGK voor in deelgeschilprocedure. 1. De kantonrechter toetst ambtshalve of het geschil zich leent voor een deelgeschil en wijst het wijst het verzoek af. Vaststaat dat het enige geschilpunt dat partijen nog verdeeld houdt, de buitengerechtelijke kosten betreft. Voor al het overige hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. De enkele omstandigheid dat het gaat om een deel van het geschil is niet toereikend om verzoekster te kunnen ontvangen in een deelgeschilprocedure. Bepalend is of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. 2. Kosten deelgeschil zijn niet in redelijkheid gemaakt en worden begroot op nihil.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: verzekeraars niet gebonden aan neuropsychologisch expertiserapport vanwege onvoldoende onderbouwde conclusies symptoomvaliditeitstest

  • Ongepubl. jurisprudentie, Rechtbank Rotterdam
  • 6 juli 2016
  • ongepubliceerd
  • C/l 0/482088 / HA ZA 15-825

Benadeelde heeft bij ongevallen in 2007 en 2009 letsel opgelopen. De aansprakelijke verzekeraars vragen om voor recht te verklaren (primair) dat zij niet gebonden zijn aan de expertiserapporten van de neuroloog en de neuropsycholoog. Het bezwaar van de verzekeraars richt zich op de conclusies die de neuropsycholoog aan het geconstateerde onderpresteren van benadeelde verbindt. De rechtbank acht het ter zijde leggen van de positieve uitslag van de symptoomvaliditeitstesten, die normaliter meebrengt dat de overige testresultaten niet betrouwbaar zijn, een in het oog springende eigenaardigheid, die in het rapport onvoldoende is onderbouwd. Bij de argumentatie, begrijpelijkheid en logica van de stelling dat het onderpresteren van benadeelde werd veroorzaakt door frontaal hersenletsel kunnen verschillende kanttekeningen worden geplaatst. Hierdoor is sprake van zodanig zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen het rapport van neuropsycholoog, dat verzekeraars hieraan niet gebonden kunnen worden (r.o. 4.9). Deze beslissing heeft gevolgen voor het rapport van de neuroloog, dat hierop is gebaseerd. Naar het oordeel van de rechtbank is een nieuw neuropsychologisch onderzoek noodzakelijk.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: werkgever aansprakelijk ex art 7:658 BW wegens onvoldoende toezicht op werkplek door chef-monteur

  • Hof Den Bosch
  • 26 juli 2016
  • ECLI:NL:GHSHE:2016:3167
  • 200 174 825_01

Hoger beroep deelgeschil; ongeval 2009. destijds 23 jarige werknemer van installatiebedrijf knipt stroomdraad door die onder spanning blijkt te staan. Hij moet zich losrukken, valt daarbij van ladder en raakt arbeidsongeschikt. Het hof acht–anders dan de kantonrechter- de werkgever aansprakelijk ex art 7:658 BW. Het hof weegt daarbij de volgende factoren: het gaat om een jonge, nog niet zeer ervaren monteur, die buiten het eigen bedrijf onder leiding van een zeer ervaren chef-monteur werkte die elders op die locatie werkzaam was. Hoewel hij een duspol bij zich had heeft hij deze niet gebruikt om de spanning te controleren. Werknemer heeft, door niet met de duspol te controleren of de spanning eraf was, een domme fout gemaakt. Dat geldt zelfs indien er geen instructie zou zijn gegeven om dat altijd te controleren, maar dit levert nog geen opzet of bewuste roekeloosheid op. Het hof oordeelt dat de werkgever niet al het redelijkerwijs mogelijke gedaan om te voorkomen dat aan werknemer een ongeval zou overkomen. Met name ontbrak het aan toezicht op de werkplek zèlf, terwijl dat toezicht wel uitgevoerd had kunnen worden nu er een ervaren collega in de buurt was. Werkgever diende haar bedrijfsvoering aldus in te richten dat op de feitelijke werkplek zelf werd toegezien op de noodzaak om vooraf de spanning te meten, ook als de werknemer meende dat de spanning eraf was gehaald.
Concreet: de chef-monteur kon niet volstaan met de vraag of werknemer de spanning van de installatie had gehaald, hij had ook moeten zeggen dat werknemer dat nog wel op de plaats waar de werkzaamheden werden uitgevoerd diende te controleren (zie r.o 3.5.14 ev) .

Lees verder